Home
Welkom op de website van Munthandel G. Henzen. Via de navigatiebalk wordt u op eenvoudige wijze door onze website heengeleid. Als u op foto’s klikt verschijnt een uitvergroting. Bevalt een munt u, dan kunt u het bestellen door op ′Bestellen′ te klikken. De gewenste munt of munten worden verzameld op een bestelformulier. Is uw bestelling compleet, dan kunt u deze eenvoudig naar ons e-mailen. U krijgt dan van ons per e-mail een bevestiging toegezonden in de vorm van een factuur. Het bestelde wordt na ontvangst van betaling toegezonden.
Uiteraard is het ook mogelijk om ons, op afspraak, te bezoeken. U kunt dan hetgeen waarin u geïnteresseerd bent op ons kantoor bekijken.
Voor onze trouwe klanten geven we ook regelmatig rijk geïllustreerde prijslijsten uit met speciale aanbiedingen. Bij uw bestelling kunt u aangeven of u deze prijslijsten wilt ontvangen.
Wij wensen u veel plezier bij het bekijken van onze website en wij hopen dat er iets van uw gading bij zal zitten.
Gijs Henzen
Actualiteiten en historische feiten die wij graag onder de aandacht brengen:
De veroordeeld crimineel Donald Trump heeft weinig op met mensenrechten. Dat bleek al door zijn politieke en militaire steun aan de gezochte oorlogsmisdadiger en massamoordenaar Benjamin Netanyahu (eigenlijk Mileikowsky) en diens terroristische staat Israël. Donald Trump en de VS zijn daarom in hoge mate medeverantwoordelijk voor de genocide op de Palestijnen en algehele malaise in het Midden-Oosten. Israël en de VS zijn ook verantwoordelijk voor de huidige hoge energieprijzen, veroorzaakt door hun illegale en stupide oorlog tegen Iran. Het internationaal strafhof in Den Haag is het aangewezen instituut van de Verenigde Naties om deze misdagers voor het gerecht te brengen. Misdadigers en massamoordenaars zijn niet gebaat bij onafhankelijke rechtspraak en daarom probeert de VS, met Trump en Rubio voorop, dit instituut op allerlei manieren te dwarsbomen. Zij hebben weinig op met democratie en het internationaal recht en faciliteren liever massamoordenaars.....
Israël is een totaal genocidale maatschappij, gesteund door het overgrote deel van de Israëlische bevolking, niet te verwarren met de Joden. Het Zionisme is een nationalistische beweging dat haar oorsprong heeft in de 19e eeuw en het Jodendom misbruikt voor haar racistische en genocidale doelstellingen. Het overgrote deel van de Israëlische bevolking steunt het Zionisme en het terroristische apartheidsregime van Netanyahu en vindt alle gruwelijke misdaden die daarmee gepaard gaan eigenlijk wel gerechtvaardigd. Het is een volk dat blind is voor haar misdaden en zich verheven voelt boven de Palestijnen en Arabische (semitische) volkeren uit de regio. Dat is helaas de ware aard van Israël en veel van haar huidige bewoners. Het is dan ook een collectieve Israëlische verantwoordelijkheid, waarvoor men zich vroeg of laat zal moeten verantwoorden. Een zware gemeenschappelijke en eeuwige last, waarbij men in de huidige mediamaatschappij dit keer niet kan zeggen ″wir haben es nicht gewust″......
https://www.youtube.com/watch?v=211f_Z5KYy8
Het is een taak van een ieder, ongeacht beroep, status of maatschappelijke positie, zich uit te spreken tegen de moordenaars en onderdrukkers van deze wereld, Of het nu om Trump, Putin, Netanyahu of Xi Jinping gaat. Zodra we zwijgen geven we hen vrijbaan en zijn we uiteindelijk allemaal slachtoffer. Wat is een mens zonder menselijkheid, rechtvaardigheid en mededogen ? Wees geen lafaard maar spreek u uit tegen onrecht!
Veel Nederlanders hebben zich in 1940-1945 niet of te weinig verzet tegen de genocide op de Joden. Thans gebeurt dit met de Palestijnen en Libanezen. Maak niet dezelfde fout; BLIJF NIET STILZITTEN EN KOM IN ACTIE TEGEN DIT GROTE ONRECHT:
STEUN : https://rightsforum.org
Zoeken op productnaam
Maandaanbieding
Nieuwe aanwinsten
 |
 |
CLAUDIUS, 41-54 - AV Aureus, Rome (49-50)
weight 7,77gr. ; gold Ø 19mm.
obv. Laureate head of Claudius right, surrounded by the legend; TI CLAVD CAESAR AVG PM TR P VIIII IMP XVI rev. Pax-Nemesis advancing right, holding drapery with right hand, left hand pointing caduceus at snake, surrounded by the legend; PACI AVGVSTAE
On the reverse of this coin a goddess is depicted that we very rarely encounter on Roman coins, namely the goddess Pax-Nemesis or Invidia. For the first time we see this goddess depicted on an aureus of C.Vibius Varus from 42 BC (Cr.494-35), the well-considered and educated Claudius probably wanted to refer to it on historical or symbolic grounds. Pax-Nemesis is the goddess of justified revenge. A current topic both in the turbulent period after Caesar′s murder and also in the time of Claudius, when intrigues and murders within the imperial family were in full swing.
In addition, she was the patroness of the gladiators during the Roman Empire. Triumphant generals also revered her. In relation to the text Pace Augustae (imperial peace) we should perhaps also see this image as a warning propaganda tool. The Roman Empire stands for peace, but its response will be cruel and merciless to those who oppose it.
cf. NAC Auction 138, Zürich 18-19 May 2023, Lot 645 (in unc- : SFR 32.000 + 22,5%)
♦ magnicicent portrait of emperor Claudius ♦
Cohen 60 ; RIC 46 (R3) ; BMC 51 ; Calicó 369 ; cf. Sear 1833 RR very attractive lustrous specimen xf- |
|
|  |
 |
 |
NOORDELIJKE NEDERLANDEN (NETHERLANDS) - OVERIJSSEL - DE DRIE RIJKSSTEDEN: DEVENTER / KAMPEN / ZWOLLE - FERDINAND I, 1556-1564 - Driebutken 1560, Zwolle
gewicht 2,15gr. ; zilver Ø 25mm. muntmeester Balthasar Wijntgens sr.
vz. De wapenschilden van Deventer, Kampen en Zwolle om een driehoek gerangschikt, waarbinnen een S boven het wapenschild van Zwolle, binnen een parelcirkel, omringd door de tekst; DAVENTR ⋆ CAMPENS ⋆ ZWOLLEN ⋆ kz. Lang gebloemd kruis met versierde ovalen aan de uiteinden waarbinnen een roosje, geplaatst over een parelcirkel, wapenschild van Zwolle in het hart van het kruis, omringd door de tekst; TRIVM - CIVIT - IMPER - IAL⋆60
De waarde van een driebutken stond gelijk aan 12 plakken of 1 ½ Overijsselse stuiver. De naam butken (of botje) was oorspronkelijk de benaming voor een halve botdrager. De botdrager was een zilveren munt die eind 14e eeuw werd geïntroduceerd door de Vlaamse graaf Filips de Stoute en had een waarde van 2 Vlaamse groot. Op deze munt stond een leeuw met een soort mantel of ′bochel′ op zijn rug afgebeeld, wat in de volksmond destijds een bot werd genoemd. Een halve botdrager werd zodoende verkleind naar een botgen of butken. Uiteindelijk werd het de vaste aanduiding voor een munt (of rekenmunt) met de waarde van een halve stuiver of groot. Zeldzaam.
van der Chijs IX, 59 ; Fortuyn Drooglever 48a ; CNM.2.13.19 R zfr- |
|
|  |
 |
 |
NOORDELIJKE NEDERLANDEN (NETHERLANDS) - REPUBLIEK, 1581-1795 - UTRECHT - Gehelmde rijksdaalder- of Prinsendaalder 1598, Utrecht
gewicht 28,63gr. ; zilver Ø 40mm. muntmeester Hendrik Hendriksz van Domselaar muntteken stadsschildje van Utrecht.
Munt met het portret van Willem de Zwijger (1533-1584); Willem I, Prins van Oranje (24 april 1533 – 10 juli 1584), ook algemeen bekend als Willem de Zwijger of Willem de Zwijgzame of beter bekend als Willem van Oranje, was de belangrijkste leider van de Nederlandse opstand tegen de Spaanse Habsburgers. van de Tachtigjarige Oorlog en resulteerde in de formele onafhankelijkheid van de Verenigde Provinciën in 1581. Hij werd geboren in het Huis van Nassau als graaf van Nassau-Dillenburg. Hij werd in 1544 Prins van Oranje en is daarmee de stichter van het adellijke tak Huis Oranje-Nassau en de stamvader van de monarchie der Nederlanden. Willem, een rijke edelman, diende oorspronkelijk de Habsburgers als lid van het hof van Margaretha van Parma, gouverneur van de Spaanse Nederlanden. Ontevreden over de centralisatie van de politieke macht in Spanje, waarmee de Nederlandse (hoge) adel veel van hun invloed verloor, en met de Spaanse vervolging van Nederlandse protestanten, sloot Willem zich aan bij de Nederlandse opstand en keerde zich tegen zijn voormalige meesters. Hij was de meest invloedrijke en politiek capabele van de rebellen en leidde de Nederlanders naar verschillende successen in de strijd tegen de Spanjaarden. In 1580 door de Spaanse koning vogelvrij verklaard, werd hij in 1584 in Delft vermoord door Balthasar Gérard (ook geschreven als ″Gerardts″).
Munt met het portret van Willem de Zwijger (1533-1584); Willem I, Prins van Oranje (24 april 1533 – 10 juli 1584), ook algemeen bekend als Willem de Zwijger of Willem de Zwijgzame of beter bekend als Willem van Oranje, was de belangrijkste leider van de Nederlandse opstand tegen de Spaanse Habsburgers. van de Tachtigjarige Oorlog en resulteerde in de formele onafhankelijkheid van de Verenigde Provinciën in 1581. Hij werd geboren in het Huis van Nassau als graaf van Nassau-Dillenburg. Hij werd in 1544 Prins van Oranje en is daarmee de stichter van het adellijke tak Huis Oranje-Nassau en de stamvader van de monarchie der Nederlanden. Willem, een rijke edelman, diende oorspronkelijk de Habsburgers als lid van het hof van Margaretha van Parma, gouverneur van de Spaanse Nederlanden. Ontevreden over de centralisatie van de politieke macht in Spanje, waarmee de Nederlandse (hoge) adel veel van hun invloed verloor, en met de Spaanse vervolging van Nederlandse protestanten, sloot Willem zich aan bij de Nederlandse opstand en keerde zich tegen zijn voormalige meesters. Hij was de meest invloedrijke en politiek capabele van de rebellen en leidde de Nederlanders naar verschillende successen in de strijd tegen de Spanjaarden. In 1580 door de Spaanse koning vogelvrij verklaard, werd hij in 1584 in Delft vermoord door Balthasar Gérard (ook geschreven als ″Gerardts″). Alhoewel de naam van Willem van Oranje ″de Zwijger″ (1533-1584) niet excpliciet op deze munt vermeld wordt, hij was immers geen soeverein vorst, is de gelijkenis met de prins groot. Met recht heeft deze rijksdaalder in de volksmond en bij verzamelaars de bijnaam ″Prinsendaalder″ gekregen. Het ontwerp van deze munt sluit nauw aan bij de vertrouwde Duitse (Saksische) talers. Coin with the portrait of William the Silent (1533-1584) ; William I, Prince of Orange (24 April 1533 – 10 July 1584), also widely known as William the Silent or William the Taciturn or more commonly known as William of Orange, was the main leader of the Dutch revolt against the Spanish Habsburgs that set off the Eighty Years′ War and resulted in the formal independence of the United Provinces in 1581. He was born in the House of Nassau as Count of Nassau-Dillenburg. He became Prince of Orange in 1544 and is thereby the founder of the branch House of Orange-Nassau and the ancestor of the monarchy of the Netherlands. A wealthy nobleman, William originally served the Habsburgs as a member of the court of Margaret of Parma, governor of the Spanish Netherlands. Unhappy with the centralisation of political power away from the local estates and with the Spanish persecution of Dutch Protestants, William joined the Dutch uprising and turned against his former masters. The most influential and politically capable of the rebels, he led the Dutch to several successes in the fight against the Spanish. Declared an outlaw by the Spanish king in 1580, he was assassinated by Balthasar Gérard (also written as ″Gerardts″) in Delft in 1584.
Although the name of William of Orange "the Silent" (1533-1584) is not explicitly mentioned on this coin, as he was not a sovereign prince, the resemblance to the prince is great. This Rijksdaalder has rightly been nicknamed "Prinsendaalder" popularly and among collectors. The design of this coin is closely related to the familiar German (Saxon) talers.
Het betreft hier het eerste jaar van aanmunting van dit munttype.
Delmonte 928; Verkade 103.1; CNM.2.43.76 ; HNPM.50 ; van der Wiel 1e (JMP.1978-1979) ; Davenport 8861 S Lichte zwaktes van de slag en klein muntplaatoneffenheid op de voorzijde. Schaars exemplaar. zfr- |
|
|  |
 |
 |
NOORDELIJKE NEDERLANDEN (NETHERLANDS) - BISDOM UTRECHT - DAVID VAN BOURGONDIË, 1455-1496 - Davidsgulden z.j. (1467-1483), Rhenen of Wijk bij Duurstede
gewicht 2,71gr. ; goud Ø 22mm.
vz. Sint Maarten met mijter en kruisstaf zittend frontaal op Gotische troon binnen een parelcirkel, daaronder het wapenschild van het Sticht, omringd door de tekst; SANCTVS - MARTIN′⋆EPS′ kz. Bourgondisch wapenschild binnen driepas binnen een parelcirkel, omringd door de tekst; ✠MON′⋆NOVA⋆AVREA⋆TRAIECTEN′
Ter vervanging van de gouden Davidsharp wordt in 1464 een nieuw type goudgulden geïntroduceerd; de Davidsgulden. We zien op deze munt voor de eerste keer een zittende Sint Maarten afgebeeld. Bij uitgifte volgde men koers (20 stuiver) en gehalte (18 karaat) van de Rijnse gulden. De productie was aanzienlijk, en men bleef dit munttype tot circa 1483 aanmunten. Tot in de 17e eeuw zouden de stukken blijven circuleren. In de loop der jaren werd het gehalte wel geleidelijke teruggebracht van 18 naar 16 karaat. De beeldenaar bleef in die periode ongewijzigd, we zien alleen een wijziging in de tekst, namelijk EPIS voor de stukken van de emissie uit 1464 en EPS voor stukken uit latere emissie in de periode 1467-1483. Dit deed men waarschijnlijk om de stukken van 18 karaat (em.1464) te onderscheiden van de stukken met lager gehalte (em.1467-1483). Vanwege het lagere gehalte van de latere stukken werd de koers in de latere rekeningen dan ook 2 of 3 stuivers lager gesteld dan de Rijnse goudguldens, die wel voldeden aan het voorgeschreven gehalte van 18 karaat. Anders dan zijn voorgangers, Frederik van Blankenheim en Rudolf van Diepholt, lag de nadruk van de muntslag onder David van Bourgondië niet in het Oversticht maar in het Nedersticht. Aanvankelijk resideerde David in slot ter Horst bij Rhenen, en vond de muntslag in het muntatelier van Rhenen plaats. Door de dood van heer Jakob van Gaasbeek in 1459 vervielen de kastelen Duurstede en Abcoude aan het Sticht. David besloot daarop kasteel Duurstede aanzienlijk uit te breiden en te verfraaien en zijn residentie te verplaatsen van kasteel ter Horst naar kasteel Duurstede. Ook het muntatelier werd rond 1470 verplaatst van Rhenen naar Wijk bij Duurstede. In Rhenen heeft vanaf dat moment geen muntslag meer plaatsgevonden. In het Oversticht vond op geringe schaal bisschoppelijk muntslag plaats te Hasselt. Voor de belangrijke handelssteden in het Oversticht, zoals Groningen, Deventer, Kampen en Zwolle was het grotendeels ontbreken van bisschoppelijke muntslag een aanleiding om hun stedelijke muntslag flink in variatie en omvang te doen laten toenemen.
Lichte zwaktes van de slag, licht gesnoeid en diverse krasjes/graffiti.
Struck with slight weaknesses, minor clipping, and some scratches/graffiti.
van der Chijs XVII,10 ; van Gelder 5 (JMP.1971/1972) ; Delmonte 945 ; de Mey 314 ; Friedberg 190 zfr- |
|
|  |
 |
 |
NOORDELIJKE NEDERLANDEN (NETHERLANDS) - REPUBLIEK, 1581-1795 - UTRECHT - Hongaarse dukaat 1591, Utrecht
gewicht 3,46gr. ; goud Ø 22mm. muntmeester Hendrik Hendriksz van Domselaar muntteken stadswapentje van Utrecht
vz. Heilige Ladislaus staande frontaal met een hellebaard in de rechterhand, de linker aan het gevest van zijn zwaard, muntteken stadswapentje van Utrecht tussen de voeten, V - D in het veld ter weerszijden, binnen een parelcirkel. In de buitencirkel de tekst; MO•AVRE x - OR•TRA•91 x (de letters V - D staan voor ″UNGARIAE DUCATUS″ ofwel "Hongaarse dukaat"). kz. Gekroonde maagd Maria met het kindje Jezus op haar schoot binnen een parelcirkel, daaronder het provinciewapen van Utrecht (klimmende leeuw naar links). In de buitencirkel de tekst; xPATRONAx - xVNGARIAE
In de provinciale munthuizen liepen de zaken begin jaren 1590′ tamelijk slecht. De ′steygering′ van de munt had ervoor gezorgd dat de zware Leicester munten te duur waren en bijna niet gevraagd werden. De muntmeesters van de provinciale munthuizen, begrijpelijkerwijs bedacht op een rendabele bedrijfsvoering, hadden al snel getracht van hun regeringen toestemming te krijgen van de Leicestermunten over te gaan op de meer lonende internationale goudstukken en lichtere rijksdaalders, waarmee hun collega′s in Kampen en Hoorn goede zaken deden door een hogere muntequivalent en de daarvan aan de ontvanger geboden aantrekkelijke muntprijs: Utrecht had een proef gedaan in de vorm van een Hongaarse dukaat. Het bleef beperkt tot het slaan van een klein aantal proefstukken. Tot een echte omvangrijke aanmunting is het nooit gekomen, en men viel weer terug op de aanmunting van gouden dukaten van het Nederlandse type. Delmonte en van der Wiel registreerde van deze Hongaarse dukaat slechts 2 exemplaren; collectie K.P.K. te ′s-Gravenhage en De Nederlandsche Bank te Amsterdam. Munt van de hoogste zeldzaamheid.
Op de Hongaarse dukaten staat de heilige Sint Ladislaus afgebeeld. Hij was koning van Hongarije (1077-1095). Hij werd op 27 juni 1192 heilig verklaard door paus Celestinus III.
Delmonte 969 (R4) ; Verkade- ; van der Wiel 4 (JPM.1975-1977) ; HNPM.28 ; CNM.2.43.39 ; Friedberg 281 RRRR Miniem gegolfd muntplaatje. zfr |
|
|  |
 |
 |
NOORDELIJKE NEDERLANDEN (NETHERLANDS) - REPUBLIEK, 1581-1795 - UTRECHT - Gouden dukaat 1729 van VOC-schip ′t Vliegent Hart
gewicht 3,46gr. ; goud Ø 23mm. muntteken stadsschildje van Utrecht. muntmeester Siberius van Romondt muntmeesterteken roosje (tussen benen)
vz. Geharnaste en gehelmde ridder staande naar rechts met in zijn rechterhand een geschouderd zwaard, in de linker een pijlenbundel (7 pijlen), geflankeerd door het jaartal I7 - 29, roosje tussen de benen, omringd door de tekst; CONCORDIA RES - PAR - VÆ CRES TRA - stadsschildje kz. Enkelvoudig gelijnd vierkant met krulversieringen een elk der vier zijden, met daarbinnen de tekst in 5 regels; MO ORD / PROVIN / FOEDER / BELG AD / LEG IMP
In de periode 1719 tot 1738 werden de muntstempels voor Utrecht vervaardigd door stempelsnijder Roelof van Cuylenburgh. Hij was niet de meest begenadigde stempelsnijder. Hij hanteerde een vrij grove, slordige en weinig vloeiende stijl. In veel gevallen zijn interpuncties in de teksten niet of gebrekkig aanwezig. Dit geldt ook voor de gouden dukaten van 1729, waarbij de ridder erg ″houterig″ overkomt en waarbij iedere interpunctie achterwege is gelaten.
Afkomstig uit VOC-schip ’t Vliegent Hart’ (lees Hert), welke op de avond van 3 februari 1735 voor de Zeeuwse kust ten onder ging nadat het om 2 uur in de middag de rede van Rammekens had verlaten met de bestemming Batavia. Het was die avond op een zandbank gelopen en lek geslagen. De naam was waarschijnlijk bedacht door de burgemeester van Vlissingen, Johan van Buytenhem, die o.a. een hert in zijn familiewapen voerde. Het werd gebouwd in opdracht van de ″Kamer van Zeeland″ op de korendijkwerf te Middelburg. De lengte was 43,70 meter, de breedte 10,90 meter en het was uitgerust met 42 kanonnen. Er waren 256 personen aan boord w.o. 83 soldaten en 6 burgerpassagiers w.o. de befaamde advocaat Jan Douw, die te Batavia een betrekking aan het gerechtshof zou gaan vervullen. Alle kwamen om. Aan boord waren 3 schatkisten met 31800 gulden aan gouden munten en 35012 gulden aan zilveren munten. In 1982 werd een groot deel van deze lading geborgen. Deze munt wordt geleverd met certificaat.
Highly interesting gold ducat from VOC-Ship wreck ′t Vliegent Hart, which sank on the evening of 3 February 1735 for the coast of Zeeland (Netherlands). This ducat has never been in circulation and is nearly as struck. This coin comes with certificate.
Gebruikelijke zwaktes van de slag, doch feitelijk zoals geslagen.
Usual crude strike with weaknesses, but virtually as struck.
Delmonte 965 ; Verkade 98.4 ; HNPM.25 ; CNM.2.43.45 ; van der Wiel 126 (JMP.1975-1977) ; Friedberg 285 R unc |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
 |
ZUIDELIJKE NEDERLANDEN (SOUTHERN NETHERLANDS) - GRAAFSCHAP VLAANDEREN - PERIODE MARGARETHA II VAN CONSTANTINOPEL, 1244-1278 & GWIJDE VAN DAMPIERRE,1278-1305 - Maille of halve penning z.j. (circa 1259-1305), Brugge
gewicht 0,44gr. ; zilver Ø 11mm.
vz. Ridder staande naar rechts met geheven zwaard in rechterhand en schild in de linker, ruitersporen aan zijn schoenen kz. Dubbel geruit kruis met in ieder hoek een roosje
Het motief binnen het schild dat de ridder voor zich houdt bestaat uit schuin naar de rand uitlopende lijnen conform het oude Vlaamse wapen. Pas in de 14e eeuw zien we het oude wapen op de munten volledig verdwijnen.
Een maille is een halve denier (of halve penning). De denier was de standaard muntwaarde; 240 deniers gingen in een pond. Het zijn heel kleine zilveren middeleeuwse muntjes van circa 0,4 gram en rond de 11 mm in diameter. Ze werden in het graafschap Vlaanderen en omliggende gebieden geslagen vanaf het midden van de 12e eeuw tot de 13e eeuw. In het Nederlands worden ze ook wel mijt genoemd, zoals we kennen in de uitdrukking "geen mijt (mieter) waard" of aangeduid als een obool (een halve denier).
Op de kleine zilveren penningen (of nauwkeuriger gezegd: de mailles of halve deniers) die in de 13e eeuw in Brugge werden geslagen, is de afbeelding van een geharnaste, staande ridder met een zwaard en schild een van de meest iconische motieven. De symboliek achter deze specifieke weergave is diep geworteld in de politieke, militaire en economische realiteit van het middeleeuwse Graafschap Vlaanderen. Dit motief draagt verschillende lagen van betekenis met zich mee. Zo symboliseert de geharnaste ridder met getrokken zwaard de militaire paraatheid en de plicht van de graaf om zijn territorium en zijn onderdanen te beschermen. Het toont de graaf niet in statige vorstelijke kledij, maar als de ultieme verdediger en krijger van de regio. Dit was een directe boodschap van autoriteit naar zowel de opstandige steden binnen Vlaanderen als naar de koning van Frankrijk, aan wie de graaf van Vlaanderen feitelijk onderhorig was.
Brugge ontwikkelde zich in de 13e eeuw tot een wereldstad en een internationaal handelscentrum. Hoewel grotere zilveren munten (zoals de groot) werden gebruikt voor de internationale handel, waren deze kleine mailles bedoeld voor de lokale economie. Ze dienden onder andere voor het betalen van daglonen en lokale markttransacties.
Haeck 159 ; Gaillard 59b ; Ghijssens 430 ; Vanhoudt G.2399 R Attractief exemplaar met een mooi patina. Zeldzaam. zfr/pr à zfr+ |
|
|  |
 |
 |
CYPRUS & JERUSALEM, KINGDOM (CRUSADERS STATE) - HENRI II, 2nd reign, 1310-1324 - Gros n.d., Nicosia
weight 4,62gr. ; silver Ø 26mm. series 1A
obv. Crowned king seated facing on curule chair with lion-head ornaments. He holds a sceptre in right hand and a globus cruciger in his left, six-pointed star in left field, surrounded by the legend; HЄNRI - RЄI DЄ rev. Cross of Jerusalem (large cross with a square in the centre, with smaller crosses in each quarter part), surrounded by a beaded ring. Another beaded ring on the rim, with the inscription between the rings; ✠ IЄRVSAL′M Є D′CHIPR′
The Kingdom of Cyprus was a Crusader state that existed between 1192 and 1489. It was ruled by the French House of Lusignan.
The Kingdom of Jerusalem was a Crusader state, founded by Christian princes in 1099 when the First Crusade took the city. Godfrey of Bouillon, the first ruler of the Kingdom of Jerusalem, himself refused the title of king, and instead chose the title "Defender of the Holy Sepulchre". Thus, the title of king was only introduced for his successor, King Baldwin I in 1100. The city of Jerusalem was lost in 1187, but the Kingdom of Jerusalem survived (also known as the "Second Kingdom of Jerusalem"), moving its capital to Acre in 1191. The city of Jerusalem was re-captured in the Sixth Crusade, during 1229–39 and 1241–44. The Kingdom of Jerusalem was finally dissolved with the fall of Acre and the end of the Crusades in the Holy Land in 1291. During his first reign (1285-1306) Henry II was the last king of Jerusalem who actually reigned over the holy city and with his death in 1324 he was the last Frankish king to rule on the mainland of Palestine. After the Crusader States ceased to exist, the title of King of Jerusalem was claimed by a number of European noble houses descended from the kings of Cyprus or the kings of Naples. The (purely ceremonial) title of King of Jerusalem is currently used by Felipe VI of Spain. It was claimed by Otto von Habsburg as Habsburg pretender, and by the kings of Italy (House of Savoy) until 1946.
Metcalf, coinage of the Crusades and the Latin East, 676-682 ; MPS.58 ; Metcalf 35-132 ; Lambros G, 32 ; Schlumberger VI, 21 ; Boutin Pl. XLVI, 874 ; Metcalf & Pitsillides pl.8 & 9 Struck with some minor weaknesses. xf |
|
|  |
 |
 |
NOORDELIJKE NEDERLANDEN (NETHERLANDS) - REPUBLIEK, 1581-1795 - FRIESLAND - ½ Driegulden 1696, Leeuwarden
gewicht 15,72gr. ; zilver Ø 34mm. muntmeester: Johannes Hendricus Valckenier zonder munt- of muntmeesterteken
vz. De Nederlandse maagd staande frontaal, speer met vrijheidshoed in de rechthand, haar linker elleboog leunend op de bijbel welke is geplaatst op een rijkelijk versierd altaar, daaronder 1696, omringd door de tekst; HAC NITIMVR - HANC TVEMVR kz. Gekroond generaliteitswapen geflankeerd door de waarde aanduiding ½ - 3GL, omringd door de tekst; MO:ARG:ORD:FÆD:BELG:FRI:
In de periode van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden ging men in Friesland over tot het aanmunten van de halve driegulden (1½ gulden) om te voldoen aan de muntordonnanties van de Staten-Generaal. De belangrijkste redenen hiervoor waren:
• De introductie van de generaliteitsmunten: Aan het einde van de 17e eeuw (in 1694) werd de generaliteitsgulden en de grotere zilveren driegulden ingevoerd om meer eenheid te brengen in het chaotische muntstelsel van de Republiek. Friesland sloeg in navolging hiervan (onder andere in het bekende muntjaar 1696) de driegulden, maar ook de halve driegulden. Dit gebeurde om te zorgen voor voldoende gangbare pasmunten van een lagere waarde in het dagelijkse handelsverkeer.
• Winstgevendheid voor de muntmeester: Het slaan van kleinere zilveren munten (zoals enkele guldens of stuivers) was voor provinciale muntateliers heel arbeidsintensief en bracht relatief hoge productiekosten met zich mee. Omdat de aanvoerlijnen van zilver vanuit Amsterdam naar het Friese munthuis in Leeuwarden lang en duur waren, sloegen de muntmeesters bij voorkeur grotere zilverstukken (zoals de driegulden en halve driegulden). Hierop kon een betere winstmarge worden behaald, terwijl ze toch voldeden aan de wettelijke verplichting om geld voor het betalingsverkeer te leveren.
Het betreft hier de eerste, en tegelijk laatste Friese ½ generaliteitsdriegulden. Dit exemplaar is nog geslagen zonder de veel voorkemende stempelbreuk bij de E in BELG. Wel heeft het de gebruikelijke zwakke slag in het centrum.
Delmonte 1160 ; Verkade 126.2 ; HNPM.49 ; CNM.2.16.98 ; Jasek 80A zfr |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
 |
AUGUSTUS, 27 BC-14 AD - AR Denarius, Lugdunum (2-1 BC)
weight 3,81gr. ; silver Ø 19mm.
obv. Laureate head of Augustus right, surrounded by the legend; CAESAR AVGVSTVS DIVI F PATER PATRIAE rev. Caius and Lucius Caesars standing facing, each togate and resting hand on shield; behind each shield a spear, above simpulum (on right, turded inwards) and lituus (on left, tuned inwards), surrounded by the legend; C L CAESARES AVGVSTI F COS DESIG PRINC IVVENT
Caius Julius Caesar (20 BC – 21 February AD 4) was consul in AD 1 and the grandson of Augustus, the first emperor of the Roman Empire. Although he was born to Marcus Vipsanius Agrippa and Julia the Elder, Augustus′ only daughter, Caius and his younger brother, Lucius Caesar were raised by their grandfather as his adopted sons and joint-heirs to the empire. He would experience an accelerated political career befitting a member of the Julio-Claudian dynasty, with the Roman Senate allowing him to advance his career without first holding a questorship or praetorship, offices that ordinary senators were required to hold as part of the cursus honorum. In 1 BC Caius was given command of the eastern provinces, after which he concluded a peace treaty with King Phraates V of Parthia on an island in the Euphrates. Shortly afterward, he was appointed to the office of consul the following year in AD 1. The year after Caius′ consulship, Lucius died at Massilia in the month of August. Approximately eighteen months later, Caius died of an illness in Lycia. Although he married his second cousin Livilla prior to his death, they did not have children. Following the deaths of Gaius and Lucius, Augustus adopted his stepson as well as his sole-surviving grandson – Tiberius and Agrippa Postumus, respectively – in AD 4.
Rare variety with simpulum on right, turded inwards and lituus on left, tuned inwards. The visa versa version is much more common (more then 90% of the denarii from this type has the simpulum on the left, and the lituus on the right). Rare.
♦ exceptional high quality denarius of Augustus ♦
cf. Cohen 43 ; RIC 210 ; BMC 540 ; cf. Sear 1597 R Very attractive lustrous coin with excellent details. Near mintstate. Very rare as such. unc- |
|
|  |
 |
 |
ROMAN REPUBLIC - ANONYMOUS - AR Didrachm or quadrigatus, uncertain Mint in South Italy, probably in Campania (225 - 214 BC)
weight 6,80gr. ; silver Ø 21mm.
obv. Beardless laureate Janiform head of the Dioscuri rev. Jupiter in quadriga galloping right, driven by winged Victory; Jupiter holding sceptre in left hand and hurling thunderbolt with right hand; below, incuse inscription ROMA in linear frame
The quadrigatus is a medium-sized silver coin produced by the Roman Republic during the 3rd century BC. The first Roman silver coins were didrachms, minted in the first half of the 3rd century BC. The didrachm denomination was inspired by similar coins being issued at Greek cities in South Italy, though Rome′s pieces bore distinctly Roman designs. By the Second Punic War (218-201 BC) the didrachm had been ′replaced′ by the quadrigatus, which simply was a reduced-weight didrachm with a new design showing the janiform head of the Dioscuri, and Jupiter accompanied by Victory in a four-horse chariot (a quadriga). The obverse features a young janiform head of the Dioscuri and the reverse featured Victory driving a quadriga (four-horse chariot), giving the coin its name, with the inscription "ROMA" below. The coin weighed about 6.8 grams (6 scruples), consistent with the weight of a south Italian Greek didrachm. It was minted for a number of years until shortly before the introduction of the denarius (211 BC or a little earlier).
cf. NAC 61, lot 91 in xf- ; SFR 11.000 + 17,5%
Sydenham 64b ; Crawford 30/1 ; BMCRR Romano-Campanian 97 ; RBW 74 ; Historia Numorum Italy, 336 ; Albert 85 ; cf. Sear 31 R Attractive example with fine details. Rare. xf- |
|
|  |
 |
 |
ACHAEMENID KINGDOM OF PERSIA - ARTAXERXES II (404-359/8) - AR Siglos, Sardis, circa 400-340 BC
weight 5,59gr. ; silver 14x11mm. Carradice type IV
obv. Persian king with beard and crown, wearing kidaris and kandys, quiver over shoulder, in kneeling-running stance right, holding akinakès (dagger) in right hand and bow in left rev. Oblong incuse punch
This siglos type was introduced during the reign of Artaxerxes II and its production was continued during the reign of his son Artaxerxes III.
cf. BMC page 171,172 ; SNG.Copenhagen 284 ; SNG.Kayhan 1031 ; Slg. Klein 763 ; cf. Carradice in BAR 343 (1987), type IV, pl.XV,46 ; Rosen collection 677 ; Sunrise 33-36 ; Asyut Hoard- ; cf. Sear 4683 ; Babelon, Traité II, page 62, 26-27 (Pl.LXXXVII, 9-12) ; Mitchiner ATAEC 1985 (Gordium) attractive and well-centered vf |
|
|  |
 |
 |
ACHAEMENID KINGDOM OF PERSIA - ARTAXERXES, 465-424 BC - AV Dareikos, Sardis, circa 450-385 BC
weight 8,33gr. ; gold Ø circa 15mm. Carradice type IIIb (late)
obv. Persian king with beard and crown, wearing kidaris and kandys, quiver over shoulder, in kneeling-running stance right, holding transverse spear in right hand and bow in left rev. Oblong incuse punch
This dareikos type was probably introduced during the reign of Artaxerxes I and it′s production was continued by his successors into the first quarter of the 4th century BC.
The gold dareikos was named after Darius I the Great (521-485 BC), equaling in value 20 silver coins (sigloi). The gold used in the coins was of very high quality with a purity of 95.83% and it bore the image of the Persian king in his national dress and carrying his national weapon, the bow. One dareikos equaled the monthly wage of a mercenary soldier. It was an international trade coin; hoards have been found from Sicily to Afghanistan. It is one of the few coins mentioned in the Old Testament (I Chronicles 29:7, Ezra 2:69 and 8:27, and Nehemiah 7:72). The Persian policy of provincial freedom allowed vassal kings (of Lycia, Sidon, Cyprus etc.) and Persian satraps of western provinces, where interaction with Greeks was strong, to coin money and evenplace their own images on the coins. But none could coin in gold, which remained the prerogative oft he Great King. The use of sigloi and dareiki ended with Alexander the Great′s invasion in 330 BC, after which they were mostly melted down and recoined as coins of Alexander. This is believed to be the main reason for their rarity, in spite of their widespread usage at the time.
SNG.Copenhagen - ; Babelon page 56, 13 (Pl. LXXXVI, 20) ; BMC page 156, 58-59 (pl.XXV, 12-13) ; Sunrise collection 28 ; Carradice in BAR 343 (1987), type IIIb (late) ; Sear 4679 ; Mitchiner ATAEC 1971 Very attractive and well-centred specimen. vf/xf |
|
|  |
 |
 |
ACHAEMENID KINGDOM OF PERSIA - ARTAXERXES, 465-424 BC - AR Siglos, Sardis, circa 450-400 BC
weight 4,41gr. ; silver Ø circa 17x12mm. Carradice type IIIb (late)
obv. Persian king with beard and crown, wearing kidaris and kandys, quiver over shoulder, in kneeling-running stance right, holding transverse spear in right hand and bow in left rev. Oblong incuse punch
This siglos type was probably introduced during the reign of Artaxerxes I and it′s production was continued by his successors into the early reign of Artaxerxes II.
SNG.Copenhagen - ; Babelon, Traité page 49, 9 (Pl. lXXXVI, 13-14) ; SNG.Kayhan 1029 ; BMC page 160, 90 (pl.XXV, 26) ; Rosen collection 671 ; Carradice in BAR 343 (1987), type IIIb (late) ; Sear 4682 ; Mitchiner ATAEC 1977 very attractive specimen with attractive toning vf à vf+ |
|
|  |
 |
 |
ACHAEMENID KINGDOM OF PERSIA - XERXES THE GREAT, 485-465 - AR Siglos, Sardis (circa 485-450 BC)
weight 5,34gr. ; silver, circa 14x13mm. Carradice type IIIb (early)
obv. Persian king with beard and crown, wearing kidaris and kandys, quiver over shoulder, in kneeling-running stance right, holding transverse spear in right hand and bow in left rev. Oblong incuse punch
This siglos type was probably introduced in connection with the accession of Xerxes I in 485 BC. Its production was probably continued into the early reign of Xerxes′ successor, Artaxerxes I.
In the lower left field of the obverse a tiny punched mark is visible. It looks like a monogram of the Greek letters Y (ypsilon) and Q (thèta). It is missing among the 207 listed marks by George F. Hill. Highly interesting and very rare as such.
Tiny stamps frequently found on ancient Persian sigloi (silver shekels of the Achaemenid Empire) are most commonly referred to by numismatists as bankers′ marks, countermarks, or chopmarks. These markings offer a fascinating glimpse into the economic landscape of the ancient Near East and Western Asia Minor. The primary purpose of a banker′s mark was purity verification. Because sigloi were struck from a thick, bean-shaped globule of silver and lacked standard textual inscriptions, it was relatively easy for ancient counterfeiters to circulate plated coins (base metal cores covered in a thin layer of silver). Local bankers, merchants, and moneychangers would punch small symbols or test cuts into the coin to ensure it was solid silver throughout. Once satisfied, the mark essentially acted as a "stamp of approval" for that specific merchant′s network. The Semitic Connection While many sigloi circulated in the Satrapy of Lydia (Western Turkey) and feature Greek symbols (like the letter Pi or triskeles), a significant portion of these countermarks are linked to Semitic-speaking regions (such as Babylonia, Phoenicia, Cilicia, and the Levant) where West Semitic scripts were used. • Aramaic Letters: Individual Aramaic characters (the lingua franca of the Achaemenid Persian bureaucracy) are frequently recognized among the documented punch shapes. • Geometric & Regional Symbols: Many punchmarks feature crescent moons, stars, specialized knots, and regional floral designs native to Near Eastern merchants. The definitive master list for classifying these marks was originally cataloged by George F. Hill in the British Museum Catalogue (BMC) for Persia and later updated in the Journal of Hellenic Studies. Hill painstakingly documented over 200 distinct varieties of countermarks found on imperial Persian sigloi.
SNG.Copenhagen 281 ; SNG.Kayhan 1030 ; Sunrise 25 ; Carradice in BAR 343 (1987), type IIIb (early), pl.XII, 16 ; Sear 4678 ; Babelon, Traité II, page 46, nos.1-4 (pl. LXXXVI, 4-9) ; Winzer 1.11 ; Rosen collection 673 ; Asyut Hoard 715-731 ; Mitchiner ATAEC 1948-1960 ; Babelon, Traité I, pl. X, 14-18, 21-23 f+ |
|
|  |
 |
 |
ACHAEMENID KINGDOM OF PERSIA - XERXES THE GREAT, 485-465 - AV Dareikos, Sardis, circa 485-450 BC
weight 8,35gr. ; gold circa Ø 14mm.
obv. Persian king with beard and crown, wearing kidaris and kandys, quiver over shoulder, in kneeling-running stance right, holding spear in right hand and bow in left holding bow and transverse spear rev. Oblong incuse punch
This dareikos type was probably introduced in connection with the accession of Xerxes I in 485 BC. Its production was probably continued into the early reign of Xerxes′ successor, Artaxerxes. The gold dareikos was named after Darius I the Great (521-485 BC), equaling in value 20 silver coins (sigloi). The gold used in the coins was of very high quality with a purity of 95.83% and it bore the image of the Persian king in his national dress and carrying his national weapon, the bow. One dareikos equaled the monthly wage of a mercenary soldier. It was an international trade coin; hoards have been found from Sicily to Afghanistan. It is one of the few coins mentioned in the Old Testament (I Chronicles 29:7, Ezra 2:69 and 8:27, and Nehemiah 7:72). The Persian policy of provincial freedom allowed vassal kings (of Lycia, Sidon, Cyprus etc.) and Persian satraps of western provinces, where interaction with Greeks was strong, to coin money and evenplace their own images on the coins. But none could coin in gold, which remained the prerogative of the Great King. The use of sigloi and dareiki ended with Alexander the Great′s invasion in 330 BC, after which they were mostly melted down and recoined as coins of Alexander. This is believed to be the main reason for their rarity, in spite of their widespread usage at the time.
♦ Very attractive lustrous and well-centred example ♦
SNG.Copenhagen 274 ; Sunrise 24-27; BMC 43 (pl.XXIV, 26) ; Babelon pag.46, 1 (Pl. LXXXVI, 2-3) ; Meadows, administration 321 ; Carradice in BAR 343 (1987), type IIIb (early), group A/B, pl.XIII, 27 ; SNG.Berry 1447 ; Mitchiner ATAEC 1970 ; Sear 4679 xf- |
|
|  |
 |
 |
ACHAEMENID KINGDOM OF PERSIA - DARIUS I THE GREAT, 521-485 BC - AR 1/6 Siglos, Sardis, circa 510-490 BC
weight 0,93gr. ; silver Ø 6mm. Carradice type II
obv. Persian king with beard and wearing crown kneeling right, shooting arrow from bow and with quiver at back rev. Oblong incuse punch
After Croesus was defeated by Cyrus II of Persia, the Lydian kingdom, including the wealthy city of Sardis, fell to the Persian Empire, which was ruled by the Achaemenid dynasty. Cyrus II had two sons: Cambyses II and Smerdis. After Cyrus′ death in 530 BC, he was succeeded by Cambyses II. The latter secretly had his brother and rival Smerdis murdered and disappear. Somehow, the Persian magician Gaumata found out about this. When Cambyses undertook a journey abroad in 522 BC, Gaumata posed as Smerdis, to whom he bore a strong resemblance, and dethroned Cambyses. After seven months, the deception came to light through the intervention of one of his harem women, and Smerdis was put to death. Cambyses II died on his way to reclaim his throne. He had no legitimate heirs. Ultimately, the Persian nobles chose Darius I, a distant relative of Cyrus I, as their new king. This proved to be a fortunate choice, as Darius turned out to be a good administrator and organizer with strong military capabilities. He would go down in history as ′Darius the Great′. He also introduced a new monetary system based on the dareikos. In theory, these coins should have been valid throughout his Empire, but based on archaeology, we know that they circulated primarily in the western parts of his Empire, particularly in Asia Minor. They were also minted there, specifically in Sardes. In addition to being King of Persia, he was also Pharaoh of Egypt. After his death in 485 BC, he was succeeded by his son Xerxes.
♦ Extremely rare denomination. Only a few specimens known ♦
BMC - ; SNG.Copenhagen - ; Carradice- ; Sear - ; Babelon, Traité - ; Slg. Klein- ; Slg. Dr. Göbl, Peus Nachf. Auktion 363, Lot 5004 ″unpubliziert″ ; Mitchiner ATAEC 1944 ; SNG.Kayhan - ; Rosen collection - ; Winzer 1.8 RRR vf |
|
|  |
 |
 |
ACHAEMENID KINGDOM OF PERSIA - DARIUS I THE GREAT, 521-485 BC - AR Siglos, Sardis, circa 513-500 BC
weight 5,19gr. ; silver ca. Ø 13mm. Carradice type II
obv. Persian king with beard and wearing crown kneeling right, shooting arrow from bow and with quiver at back rev. Oblong incuse punch
After Kroisos was defeated by Cyrus II of Persia, the Lydian kingdom, including the rich city of Sardis, fell to the Persian Empire, ruled by the Achaemenid dynasty. Cyrus II had two sons; Cambyses II and Smerdis. After Cyrus′s death in 530 BC. he was succeeded by Cambyses II. He had Smerdis, his brother and rival, murdered and had his body hidden in secret. Somehow the Persian magician Gaumata had found out about this. When Cambyses II stayed abroad during a trip, Gaumata took his chance. Gaumata pretended to be Smerdis, whom he bore great resemblance to, and overthrew Cambyses. After seven months the deception was revealed by one of his harem women and Smerdis was put to death. On the way to retake his throne, Cambyses II died. He had no legal heirs. In the end, the Persian nobles chose Darius I, a distant relative of Cyrus I, as their new king. His rule started september 521 BC. That turned out to be a lucky choice, because Darius turned out to be a good administrator and organizer with also good military capabilities. He would go down in history as ′Darius the Great′. He also introduced a new coinage system based on the dareikos. In theory, those coins should be valid throughout his Empire, but from archeology we know that those coins circulated mainly in the western parts of his Empire, especially in Asia Minor. There they were also struck, namely at Sardis. In addition to being king of Persia, he was also Pharaoh of Egypt. After his death in 485 BC succeeded by his son Xerxes.
BMC Arabia, page 173, 185 ; SNG.Copenhagen 280 ; Carradice in BAR 343(1987), type II, Pl.XI, 11-13 ; Sear 3428 ; Noe Sigloi, plate XIII, 215 ; Winzer 1.6 ; Asyut Hoard 714 ; Mitchiner ATAEC 1936 ; Kayhan - ; Rosen - ; Winzer 1.6 R f/vf |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
 |
PISIDIA, SELGE - AR Obol, circa 300-190 BC
weight 0,58gr. ; silver Ø 10mm.
obv. Facing head of Gorgoneion, with long hair and closed mouth rev. Head of Athena right in crested helmet, astragalos and spearhead behind
The city of Selge was situated on a mountainside near the mouth of the Eyrymedon River. Because the city was difficult to access due to its location in the mountains, it was simultaneously highly defensible against enemy attacks. For this reason, it remained an independent city for a long time, refusing to submit. In the 4th/2nd century BC, it was the most important city of Pisidia and, if necessary, could raise an army of 20,000 men. The Selgers were known for their courage and military capabilities and are therefore often compared to the Spartans. In Roman times, it no longer played an important role and was no more than a provincial town. This coin dates from the city′s heyday. A popular coin type from the city of Aspendos, which was located about 40 km from Selge, was clearly imitated here.
The trihemiobols, obols and hemiobols of Selge were in fact imitations of samelike coins struck in the Pamphylian city of Aspendos, about 30 km. south of Selge, minted some earlier or at the same time. Also this trihemiobol has its prototype from Aspendos (see SNG.Paris no.37). The main distinction between the pieces of Aspendos and Selge is the addition of the astragalos, the town symbol of Selge, on the pieces of Selge.
♦ a lovely small silver coin from the Greek Classical period ♦
BMC 28 ; SNG.Paris 1951 ; SNG.Copenhagen 254 ; SNG.von Aulock 5279 ; Slg. Klein 632 ; McClean 9018 ; SNG.Kayhan- ; Babelon, Traité II, 1599 ; Sear 5479 vf/xf |
|
|  |
 |
 |
PAMPHYLIA, SIDE - AR Stater, circa 400-350 BC
weight 10,54gr. ; silver Ø 22mm.
obv. Athena standing left, holding Nikè with wreath in right hand and resting left hand on grounded shield decorated with Gorgoneion′s head, vertical spear in background, pomegranate in left field rev. Apollo standing to left, nude but for chlamys over his shoulder; holding patera in right hand and long laurel-branch in left, altar in front, raven standing right behind, Pamphylian legend in outer right field.
A double-feature of the gods Athena and Apollo, the Greeks replacements for the Anatolian Gods Kybele and Mên. Side was an ancient city on the eastern part of the Pamphylian coast. Founded by Greek settlers from Kyme, Aeolia, its coins were minted in honour of Athena, the patroness god of their city. The people of Side abandoned the Greek language for one of their own. The inscriptions on this coin are in their unique language, and to date, are yet to be successfully deciphered.
BMC 15 ; SNG.v.Aulock 4770 ; SNG.Copenhagen 374 ; Sear- ; Weber collection- (cf. 7356) ; McClean- ; SNG.Paris 650var. ; Jameson- ; Babelon, Traité 1540 (Pl.CXLII, 21) R Very attractive example of this rare coin type. vf/xf |
|
|  |
|
|