
 |
|
|  |
 |
 |
ZUIDELIJKE NEDERLANDEN (SOUTHERN NETHERLANDS) - BISDOM LUIK (LIÈGE) - JAN VAN VLAANDEREN, 1282-1291- Sterling z.j. (1281), Hoei
gewicht 1,13gr. ; zilver Ø 18mm.
vz. Wapenschild met klimmende leeuw naar links met geheven zwaard in rechterklauw, omringd door de tekst; IOh - ANNЄ - SxЄPCx kz. Lang gevoet kruis geplaatst over een parelcirkel met in de hoeken de letters h - O - Y - I, omringd door de tekst; ⁑ LЄ - ODI - EN - SIS
Jan van Vlaanderen (ofwel Jan van Dampierre) werd rond 1250 geboren als derde kind van Gwijde van Dampierre, graaf van Vlaanderen en graaf van Namen, uit diens eerste huwelijk met Mathilde van Béthune. Hij was pas tien of elf jaar toen hij in Brugge werd verkozen tot proost van Sint Donaas. Jan van Vlaanderen gaf zijn studie na zijn benoeming in Brugge niet op. Hij studeerde onder meer aan de universiteit van Parijs, waar hij tot licentiaat in het canoniek recht promoveerde. Als proost van het Sint-Donaaskapittel was hij meteen ook kanselier van Vlaanderen. Hij was daarnaast ook nog proost van het Sint-Pieterskapittel van Rijsel.
Op 2 januari 1280 benoemde paus Nicolaas III hem tot bisschop van Metz, waar hij bekendstaat als Jan II. Ook hier toonde hij weinig interesse voor het ambt, maar de eraan verbonden inkomsten kon hij goed gebruiken om in Vlaanderen onroerend goed te kopen. Van de paus kreeg hij toestemming om nog zeven jaar proost te blijven in Brugge en Rijsel. Deze functies gaf hij op 31 oktober 1282 op toen hij werd benoemd tot rijksbisschop van Luik. Voor de nieuwe functie in Luik was Jan van Vlaanderen niet eens kandidaat geweest, maar had zijn benoeming te danken aan de steun van paus Martinus IV, die niet wenste te wachten tot het Luikse kathedraalkapittel een keuze had gemaakt tussen twee kanunniken van dat kapittel, Burchard van Avesnes en Willem van Auvergne.
In 1285 raakte hij in onmin met de Luikse burgers omwille van de "fermeté", een belasting op het verbruik. Jan trok zich samen met zijn clerus 22 maanden terug in Hoei. Het was hertog Jan I van Brabant die bemiddelde tot de zaak op 7 augustus 1287 opgelost raakte met het sluiten van de zogenaamde "klerkenvrede". Eenmaal terug in Luik, verbond de prins-bisschop zich met hertog Jan I, toen deze laatste tegen graaf Reinoud I van Gelre ten strijde trok met het bezit van het hertogdom Limburg als inzet. Samen haalden ze in 1288 de zege tijdens de Slag bij Woeringen. Nog in hetzelfde jaar werd hij tijdens een jachtpartij overvallen, gevangengenomen, en pas vijf maanden later vrijgelaten na het betalen van een losgeld. Al die tijd had zijn vader Gwijde van Dampierre het prinsbisdom Luik voor hem beheerd. Jan overleed op zijn kasteel van Montaigle in Anhée nabij Namen en werd begraven in de abdij van Flines bij Dowaai.
de Chestret 207 ; Frère, RBN 1962, pag.149, no.75 ; Vanhoudt G901 ; de Mey 400 ; Slg. de Wit 1226 ; Mayhew pl. 2, 43 ; Renesse V,1 ; Engen 1 ; Dengis 502, type C/D R Miniem slagbarstje. Zeldzaam. fr/zfr à zfr- |
|
|  |
 |
 |
ZUIDELIJKE NEDERLANDEN (SOUTHERN NETHERLANDS) - PRINSBISDOM LUIK (LIÈGE) - JAN VAN ARKEL, 1364-1378 - Sint Pietersgroot z.j. (1373-1376), Sint Pieter (dorp bij Maastricht)
gewicht 1,56gr. ; zilver Ø 28mm.
vz. Borstbeeld van Sint Pieter met nimbus frontaal, het boek der evangeliën in zijn rechterhand en sleutel in de linkerhand, binnen een zespas, binnen een gekartelde cirkel, daaronder het schild met het wapen van Arkel welke de cirkel en tekst doorbreekt, omringd door de tekst; ✠ MONЄTA ⵓ SA ⸰ – ⸰ NCTI ⵓ PЄTRI kz. Kort drielijnig kruis met bladversieringen aan de uiteinden binnen een gekartelde cirkel, omringd door de tekst; ✠ IOHANNЄS ⁑ ЄPS ⁑ LЄODIЄNSIS
Ten zuiden van de stad Maastricht, grenzend aan de Maas en het Jekerdal, bevindt zich een dorp Sint Pieter dat voorheen een vrije baanderij was. Dit gebied stond onder het gezag van de prins-bisschoppen van Luik en fungeerde als een zelfstandige Luikse enclave met eigen wetten, een eigen bestuur en een eigen schepenbank. Volgens de overlevering zou deze heerlijkheid een van de eerste bezittingen zijn van de Luikse Kerk. Zij was in de 7e eeuw het eigendom van Aper en Herislinde, wier zoon Lambertus in 672 tot bisschop van Maastricht zou worden gekozen. Na de dood van zijn ouders werden diens goederen bij de kerk van Maastricht gevoegd. Lambertus had nauwe banden met de familie van de Frankische hofmeier van Austrasië, Pepijn van Herstal, waaronder Pepijns eerste vrouw Plectrudis. Nadat Lambertus tijdelijk uit zijn ambt was ontzet door politieke tegenstanders, herstelde Pepijn van Herstal hem in 682 in zijn rechten als bisschop van Maastricht. Samen ontvingen en steunden zij vroege missionarissen zoals Willibrord om het geloof in de regio te verspreiden.
Op zeker moment ontstond er wrijving tussen Pepijns dienaar Dodo en bisschop Lambertus. Lambertus bekritiseerde namelijk herhaaldelijk Pepijns buitenechtelijke relatie met Alpaïs, de zuster van Pepijns dienaar Dodo. Daarnaast zou Dodo de goederen die hij de kerk had ontnomen weer terug moeten geven. Dit herhaaldelijk aandringen bij Pepijn maakte Lambertus een aartsvijand van Dodo. Op een zekere dag rond het jaar 705 werd Lambertus, die zich naar zijn kapel in de burcht Legia (later Luik) had begeven om aldaar te bidden, door aanhangers van Dodo vermoord. Zijn lijk werd in de Maas geworpen. Volgelingen van de bisschop wisten hem echter te bergen en begroeven hem in het dorp Sint Pieter.
Lambertus′ leerling Hubertus volgde hem op als bisschop van Maastricht. Maastricht en Tongeren waren in die tijd onveilig, daarom verplaatste hij de bisschoppelijke zetel van Maastricht naar Luik. Definitief zoals later zou blijken. Rond 718 werd Lambertus heilig verklaard en werden zijn gebeenten naar Luik verplaatst en aldaar herbegraven. Boven het graf van Lambertus werd de Sint-Lambertuskathedraal opgericht, die in 1794 werd verwoest. Hubertus overleed in 727 en werd in 743 heilig verklaard. Hubertus verkondigde het geloof in Brabant en de Ardennen, vandaar dat in het zuiden van Nederland en in heel België veel kerken naar hem zijn vernoemd. In sommige streken lijkt het soms wel alsof er maar twee heiligen zijn: Hubertus en Lambertus.
De hertog van Brabant verkreeg zeggenschap over Maastricht in 1204, toen de Duitse keizer de stad in leen gaf aan de hertog. Dit markeerde het begin van de unieke tweeherigheid, waarbij de stad bestuurd werd door zowel de hertog van Brabant als de bisschop van Luik. Dit leidde in datzelfde jaar tot een Luiks-Loonse strafexpeditie en verwoesting van de Maasbrug. Het was hertog Hendrik I die in 1229 de stad Maastricht toestemming geeft om een stenen stadsmuur te bouwen, inclusief de latere Helpoort. In het jaar 1284 werd de belangrijkste oorkonde, met betrekking tot de Maastrichtse tweeherigheid opgesteld: de ′Alde Caerte′. Deze overeenkomst werd gesloten tussen de Luikse bisschop Jan van Vlaanderen (1282-1291) en de Brabantse hertog Jan I (1267-1294). Vóór dit jaar bestond er grote onzekerheid over welke heer welke rechten bezat in de stad. De ′Alde Caerte′ hief deze onzekerheid op doordat zij in een aantal paragrafen de rechten van beiden naast elkaar zette. Deze overeenkomst werd ook numismatisch beklonken door de aanmunting van een gemeenschappelijk muntstuk; een denier of penning (zie: van der Chijs, Brabant & Limburg, Pl. III, no. 4).
Omdat Sint Pieter een zelfstandige Luikse ′vrijheid′ (baanderij) was met eigen wetten en rechtspraak, vluchtten criminelen of mensen die conflicten hadden met het Maastrichtse stadsbestuur vaak de grens over naar het dorp om aan vervolging te ontkomen. Het aangrenzende dorp Sint Pieter behoorde exclusief tot het Prinsbisdom Luik. In 1212 bouwde Hugo van Pierremont, bisschop van Luik, een bucht op zijn grondgebied van Sint Pieter. Er werd ook een gerechtshof gevestigd. De overeenkomst van de ′Alde Caerte′ schijnt niet erg lang in acht zijn genomen. Dit komt ook tot uitdrukking in de muntslag. Zo sloegen de hertogen van Brabant hun munten in het bestuurlijk centrum het Vroenhof te Maastricht, terwijl de bisschoppen van Luik dit deden in het nabij gelegen dorp Sint Pieter. Het bisschoppelijk muntatelier van Sint Pieter werd voor het eerst actief onder bisschop Engelbert van der Marck (1345-1363). Tussen 1295 en 1409 raakte het dorp Sint Pieter minstens acht keer direct betrokken bij gewapende conflicten tussen opstandige Luikenaren en de stad Maastricht. Sint Pieter koos hierin vrijwel altijd de kant van de prins-bisschop, tot grote ergernis van de Maastrichtenaren.
Jan van Arkel werd in 1314 geboren als zoon van Jan III van Arkel en zijn tweede echtgenote Kunigonda van Virneburg. Zoals gebruikelijk in die tijd voor jongere adelijke zonen koos ook Jan voor een geestelijke loopbaan. Na de dood van de Utrechtse bisschop Jan van Diest in 1340 kwam het niet direct tot een opvolging. De kapittels hadden Jan van Bronkhorst gekozen, de paus benoemde Nicolaas Capocci. Deze werd echter niet aanvaard door de kapittels en trok zich terug. De uiteindelijke benoeming van Jan van Arkel tot bisschop was te danken aan de invloed van graaf Willem IV van Holland. Jan manifesteerde zich als een sterk bestuurder en wist orde op zaken te stellen binnen het bisdom Utrecht (Het Sticht). Zijn regeerperiode aldaar (1342-1364) kenmerkt zich door een voortdurende en succesvolle strijd tegen het graafschap Holland, gesteund door de stad Utrecht. Aan het einde van zijn episcopaat stond Het Sticht er beter voor dan in tijden het geval was geweest.
In 1364 werd Jan van Arkel ″de prachtlievende″ door paus Urbanus V overgeplaatst naar Luik. Door de macht van de gilden kon hij daar zijn macht minder laten gelden dan in Utrecht, al wist hij in 1366 het graafschap Loon definitief bij het prinsbisdom in te lijven. Jan van Arkel hield van het luxe leven en zag zijn gebieden als wingewesten en verhoogde de belastingen, wat zorgde voor grote onvrede bij de bevolking. In 1373 dwongen de opstandige burgers dwongen de bisschop om een speciale rechtbank op te richten, met soeverein beslissingsrecht, het zgn. tribunaal XXII, om burgers te beschermen tegen oneerlijk handelen van de bisschoppelijke ambtenaren. De spanningen bleven echter groeien, waardoor Jan van Arkel in 1374 naar Maastricht moest uitwijken voor zijn opstandige onderdanen. Maastricht werd daarop in 1375 belegerd door de woedende Luikenaren, een beleg dat pas beëindigd werd na een oproep van paus Gregorius XI, waarna Jan weer kon terugkeren naar zijn residentie in Luik. We kennen van Jan van Arkel ook St. Pietersgroten waarbij St. Pieter de pauselijke tiara op zijn hoofd heeft i.p.v. de gebruikelijke nimbus om zijn hoofd (zie: Dengis 580). Wellicht werd deze uiterst zeldzame emissie geslagen nadat paus Gregorius XI hem in zijn gezag had hersteld, na het beleg van Maastricht in 1375, bij wijze van eerbetoon. Jan van Arkel overleed in 1378 op 63-jarige leeftijd in Luik. Hij werd begraven in de Domkerk te Utrecht. Hij liet twee kinderen na: Kunegonde, geboren in 1345, en Johan van Arkel, heer van Rijnestein (1350-1413). Onder bisschop Jan van Arkel (1364-1378) is het meest gemunt te Sint Pieter. Die muntslag vond plaats in de jaren 1373-1376, dus in de periode dat er een groot conflict was tussen de bisschop en zijn Luikse onderdanen en Jan de wijk had moeten nemen naar Maastricht. De beeldenaars van de munten zijn ontleend aan St. Pietersgroten en sterlingen die onder de Brabantse hertog Jan III te Leuven werden geslagen (zie: de Witte 357 en 358). Zo had met een vertrouwd munttype, dat tegelijk een verwijzing had naar de muntplaats Sint Pieter.
Het gewichten van deze Pietersgroten variëren sterk. In de regel bewegen die zich tussen de 2,20 en 2,80 gram. Dit stuk is met 1,56 gram dus opmerkelijk licht.
♦ historisch beschouwd een hoogst interessant en zeldzaam muntstuk ♦
de Chestret 258 ; Engen 55 ; Dengis 576 ; de Mey 487 ; van der Chijs (Leenen Brabant & Limburg), pl.XXXI, 6 ; Vanhoudt G.946 ; RBN 1847, p. 65, no.3 ; Numista 308073 R Minieme krasjes op de voorzijde, zwaktes van de slag, en lichte sporen van oxidatie. fr/zfr |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
 |
ZUIDELIJKE NEDERLANDEN (SOUTHERN NETHERLANDS) - PRINSBISDOM LUIK (LIÈGE) - JAN VAN HORNE, 1484-1505 - Lambertusgoudgulden of Postulaatsgulden z. j.
gewicht 2,14gr.; goud Ø 22mm. initiaalteken voorzijde: anulet (∘) anuletten (∘) als interpunctie
vz. De heilige Lambertus, met mijter en kromstaf, staande naar links, binnen een gekartelde cirkel, omringd door de tekst; ∘- SANCTVS - LAMBЄRTV′ kz. Bisschoppelijk wapenschild, met schildje van Horne in het hart, binnen driepas met drie punten binnen een gekartelde cirkel, omringd door de tekst; ✠IOHS′∘DЄ∘HORN∘ЄPS′∘LЄODIЄ′
Deze laaggehaltige bleke guldens (circa 10 tot 11 karaat) stonden ook wel bekend als postulaatsguldens.
Toen in 1484 weer een nieuwe bisschop gekozen moest worden, richtte het domkapittel zich op de gewestelijke adel. Men koos voor de in Weert geboren Jan van Horne, zoon van de graaf van Horne. Deze graaf van Horne was na de dood van zijn vrouw ingetreden bij de franciscanen in Weert. Als subdiaken assisteerde hij zijn zoon Jan bij diens eerste mis, toen die zich twee jaar nadat hij tot bisschop gekozen was eindelijk tot priester liet wijden. Tot bisschop werd Jan van Horne nooit gewijd. De Luikse bisschop was primair landsheer; prins-bisschop. Zo liet hij, net als zijn Utrechtse ambtsbroeder, het kerkelijk bestuur van zijn bisdom vrijwel geheel over aan aartsdiakens, en voor de wijdingshandelingen had hij een of meer wijbisschoppen tot zijn beschikking.
Lambertus is een rooms-katholiek heilige en de patroonheilige van de textielarbeiders. Zijn naamdag is 17 september en zijn attribuut is een lans. Naar men aanneemt werd Lambertus in 638 te Maastricht geboren, waarschijnlijk als zoon van Apre, heer van Luik en zijn vrouw Herisplende. Lambertus was afkomstig van een adellijke familie die zijn basis had in Maastricht. Hij was een protegé van zijn oom, bisschop Theodardus. Toen Theodardus kort na 669 werd vermoord, bepaalden de raadslieden van de Frankische koning Childerik II dat Lambertus bisschop van Maastricht moest worden. Lambert had banden met Hugobert en Plectrudis, de eerste vrouw van Pepijn van Herstal, de hofmeier (een soort eerste minister en de werkelijke machthebber) van Austrasië, die dit gebied namens de Merovingische koningen van Austrasië bestuurde. Nadat Childerik II in 673 werd vermoord, kwam de factie van Ebroin, de hofmeier van Neustrië, ook in Maastricht aan de macht. Lambertus werd uit zijn ambt gezet en bracht de jaren 674 - 681 in ballingschap door in de door Remaclus in 648 opgerichte Keltisch christelijke abdij van Stavelot. In die periode was Faramundus bisschop van Maastricht. Na de dood van Ebroin in 681 en de daarmee gepaard gaande wijziging in de politieke verhoudingen binnen het Merovingische rijk, kon Lambertus in 681 zijn ambt opnieuw vervullen en keerde hij terug naar zijn bisdom. In het gezelschap van Willibrord, die in 691 uit Engeland was gekomen, predikte Lambertus het evangelie aan de heidenen in de Kempen en aan de benedenloop van de Maas, in het tegenwoordige Noord-Brabant en Noord-Limburg. In dit gebied zijn daarom kerken aan hem gewijd. Lambertus′ familie (en ook Plectrudis′ familie) lieten Dodo, een "domesticus" (rentmeester) van Pepijn van Herstal en vermoedelijk de broer van Pepijn van Herstals tweede vrouw Alpaida vermoorden. Dodo′s familieleden, wier machtsbasis zich in de buurt van Luik bevond, namen wraak door op hun beurt Lambertus te vermoorden op zijn landgoed, de Gallo-Romeinse villa van waaruit enige tijd later Luik zou ontstaan. De moord vond uiterlijk plaats in 705 (andere jaren die genoemd worden zijn 696 en 700) in de nacht van 16 op 17 september; Lambertus was toen 67 jaar. De officiële rooms-katholieke versie ziet Lambertus als een martelaar voor het geloof vanwege zijn verdediging van de huwelijkstrouw, door de verbintenis tussen Pepijn met Alpaida, de broer van Dodo en de moeder van Karel Martel, aan de kaak te stellen. Meteen daarop werd Lambertus als martelaar vereerd. Hij werd eerst in Maastricht begraven, maar zijn opvolger, Hubertus van Luik, een beschermeling van Pepijn van Herstal en Alpaida, liet, op het moment dat hij zelf ook zijn bisschopszetel van Maastricht naar Luik verplaatste, Lambertus′ overblijfselen naar Luik brengen. Een nieuwe bisschopszetel had zijn eigen heilige nodig. Het was ietwat ironisch, maar getuigt misschien ook wel van berouw, dat men voor die rol een voormalige vijand koos.
Delmonte 333 ; de Chestret 386 ; Renesse Pl. XVII, 2 ; Engen 183 ; Mignolet 20 ; Dengis 768 ; de Mey 666 ; Vanhoudt G.1080 ; Friedberg 300 lichte zwaktes van de slag zfr- |
|
|  |
 |
 |
ZUIDELIJKE NEDERLANDEN (SOUTHERN NETHERLANDS) - PRINSBISDOM LUIK - JAN VAN HORNE, 1484-1505 - Brûlé z.j., Maastricht (?)
gewicht 0,99gr.; koper Ø 23mm.
vz. Wapenschild van Horne, omgeven door vlammen, wolken erboven, binnen een gekartelde cirkel, omringd door de tekst; ✶IOHS⭒DE⭒HORN⭒EPS⭒LEODIЄN (of variant) voluit: Iohannes de Hornes Episcopus Leodiensis, vertaling: Jan van Horne, bischop van Luik kz. Kort kruis met lelieversieringen aan de uiteinden binnen een gekartelde cirkel, omringd door de tekst; ✠ MISERЄ′ NRI′(Q′. PAS′. ES. P′. NOB′) voluit: Miserere Nostri Qui Passus Es Pro Nobis, vertaald: Wees ons genadig, Gij die voor ons hebt geleden.
Deze brûlé komt qua beeldenaars overeen met het type dat door Dengis beschreven wordt onder nummer 804, met het verschil dat het de keerzijdetekst heeft van het onder nummer 800 beschreven type. Daarnaast heeft dit exemplaar op de voorzijde niet een kruis als initiaalteken maar een ster. Aangezien dit ook het muntteken van Maastricht is oppert Dengis deze stad als de mogelijke muntplaats (zie Dengis 800). Als zodanig lijkt deze munt onbeschreven te zijn in de referentie literatuur. Hoogst zeldzaam, mogelijk uniek.
de Chestret - (vgl. 426) ; Dengis - (vgl. 804) ; Renesse- (vgl. pl. XIX, no.10) ; Engen- (vgl. 208) ; de Mey - (vgl. 65) ; Vanhoudt Atlas - (vgl. G.1105) R4 geoxideerd vondtexemplaar zg/fr |
|
|  |
 |
 |
ZUIDELIJKE NEDERLANDEN (SOUTHERN NETHERLANDS) - PRINSBISDOM LUIK - EVERHARD (ERARD) VAN DER MARCK, 1506-1538 - Snaphaen z.j. (ca.1525-1530), Hasselt (?)
gewicht 5,34gr.; zilver Ø 31mm.
vz. Sint Hubertus, nimbus om hoofd, te paard rijdend naar rechts, daaronder een hond rennend naar rechts, binnen een gekartelde cirkel, rechts daarvan het voorlijf van een hert naar links gewend, omringd door de tekst; SA - NCTVS⋆HV - BЄRT - ′⋆ kz. Wapenschild van Mark in het hart van een gebloemd kruis welke een gekartelde cirkel doorbreekt, omringd door de tekst; ЄRARD′⋆D′ - MAR′⋆CA - DINAL - ЄPS′⋆LЄO′
Het betreft hier een navolging van de snaphaen van Karel van Gelre. Zeer zeldzaam.
Met een officieel voorgeschreven gewicht van 7,895 gram is deze munt duidelijk te licht. Door circulatie en daardoor slijtage treed er altijd gewichtsverlies op maar nooit circa 2,5 gram, zoals in dit geval. Dit gewichtsverlies is duidelijk veroorzaakt door het snoeien van de munt, zoals ook visueel duidelijk is waar te nemen..
Als men bij vele munten steeds wat van de rand snoeide kon men toch aanzienlijk bij verdienen, soms wel honderden guldens. Natuurlijk was het wel zaak de munten in betaling te geven aan personen die het gewicht niet meteen konden controleren, anders zou men immers tegen de lamp lopen. Degene die met te lichte munten betaalde moest in principe het gewichtsverschil alsnog bijbetalen, maar dat gold alleen voor munten met geringe gewichtsafwijking. Was het verschil te groot, dan werden de stukken onmiddellijk uit omloop gehaald. Werd men betrapt op het snoeien van munten dan waren de straffen niet gering. Met verminking (o.a. brandmerking) kwam men er nog heel goed vanaf. Het verbranden of koken in een ketel met water, olie of lood en andere gruwelijke doodstraffen waren de gebruikelijke eindstations voor serieuze overtreders.
With an official prescribed weight of 7.895 grams, this coin is clearly much too light. Due to circulation and therefore wear, there is always weight loss, but a weight loss of circa 2.5 grams, as in this case, is much too large in relation to the quality of the coin. This weight loss is clearly caused by clipping the coin, as can also be clearly seen visually.
If one kept cutting off the edge of many coins, one could still earn a considerable amount, sometimes hundreds of guilders. Of course, it was important to give the coins in payment to people who could not immediately check the weight, otherwise one would be caught. In principle, those who paid with coins that were too light still had to pay the difference in weight, but that only applied to coins with a small weight deviation. If the difference was too great, the coins were immediately withdrawn from circulation. If one was caught cutting off coins, the punishments were not insignificant. With mutilation (including branding) one got off very lightly. Burning or boiling in a cauldron with water, oil or lead and other gruesome death sentences were the usual final stations for serious offenders.
Delmonte 431 (R2) ; de Chestret 441 ; Mignolet 65 ; Dengis 831 ; de Mey 723 ; Vanhoudt Atlas G.1121 RR fr |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
 |
ZUIDELIJKE NEDERLANDEN (SOUTHERN NETHERLANDS) - PRINSBISDOM LUIK (LIÈGE) - MAXIMILIAAN HENDRIK VAN BEIEREN, 1650-1688 - Dukaton 1668
gewicht 32,10gr. ; zilver Ø 43mm. muntteken; zuil van Luik (Perron)
vz. Buste van de prinsbisschop met solideo en hermelijnen mantel naar rechts. In de buitenrand de tekst; • MAX•HEN•D•G•A•C•P•E•EP•ET•PRINC•LEOD•1668 en zuil. kz. Gekroond en gekwartiert wapenschild van Beieren-Pfaltz met het hartschild van Bouillon, gehouden door twee frontaal kijkende leeuwen. In de buitenrand de tekst; SVPREMVS - BVLLONIE - NSIS • DVX
Maximiliaan-Hendrik van Beieren werd op 8 december 1621 te München geboren als zoon van hertog Albrecht VI van Beieren en Mechtilde van Leuchtenberg. Als derde zoon was hij geen gegadigde voor de hertogstitel en was, volgens goed gebruik in die tijd, een geestelijk loopbaan voor hem weggelegd. Maximiliaan volgde gymnasium in Keulen en studeerde vervolgens theologie in Leuven.
Hij begon zijn loopbaan als coadjutor (hulpbisschop) te Keulen, bij zijn oom Ferdinand van Beieren, die eveneens prins-bisschop van Luik was. Toen Ferdinand in 1650 stierf was het Hendrik-Maximiliaan die hem opvolgde als aartsbisschop van Keulen, prins-bisschip van Luik, prins-bisschop van Hildesheim en prins-abt van het Abdijvorstendom Stavelot-Malmedy. Bovendien werd hij kasteelheer van Modave. Ondanks zijn positie als machtig regionaal vorst, was Maximiliaan mensenschuw en leed aan melancholie en hypochondrie. Hij zag zichzelf meer als geleerde dan als geestelijke. Maximiliaan was sinds 1671 een van de bondgenoten van Lodewijk XIV van Frankrijk om de Republiek aan te vallen.
In 1672, het Rampjaar vielen de troepen van Bernard van Galen en Maximiliaan Hendrik het graafschap Zutphen binnen en veroverden Grol, Bredevoort, Lochem, Hattem, Elburg, Harderwijk en Deventer. Zwolle en Kampen gaven zich over. Maximiliaan kreeg de beschikking over Deventer. Bernard van Galen richtte zijn pijlen op Groningen. De beide bisschoppen hadden 30.000 man ingezet, maar haalden hun troepen terug toen Frederik Willem I van Brandenburg en Raimondo Montecuccoli zich bij Halberstadt verzamelden. De bisschop vluchtte in 1673 van Bonn naar Keulen, waar hij intrek nam het Kartuizersklooster Sankt Pantaleon, en hield zich bezig met scheikundige proefnemingen. Op 11 mei 1674 tekende hij het vredesverdrag met de Republiek. In 1683 werd hij bisschop van Münster; de hulpbisschop Niels Stensen vertrok naar Hamburg, nadat hij kritiek had geleverd op de benoeming van Maximiliaan. Hij overleed op 5 juni 1688 te Bonn.
In navolging van de aanmunting van patagons (vanaf 1661), besloot men in 1666 ook over te gaan tot het slaan van de zwaardere ducatons. Net als de patagons werden deze vervaardigd met de schroefpers. Uiteindelijk heeft men de productie van ducatons voortgezet tot 1688.
Delmonte 473 ; de Chestret 641 ; Mignolet 247 ; Vanhoudt G.1308 ; Dengis 1105 ; KM.84 ; Davenport 4296 Minieme justeerssporen op de keerzijde. zfr |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
 |
ZUIDELIJKE NEDERLANDEN (SOUTHERN NETHERLANDS) - PRINSBISDOM LUIK (LIÈGE) - SEDE VACANTE,1763 - Daalder of patagon 1763, Luik
gewicht 27,78gr. ; zilver Ø 40mm.
vz. Gemijterde buste van Sint Lambertus naar links, omringd door de tekst; S • LAMBERTUS • PATRONUS • LEODIENSIS • 1763 kz. Gekroond ovaal wapenschild, gekwartierd, met de zuil van Luik als hartschild, omhangen met een hermelijnen mantel, omringd door de tekst; ⋆ MONETA • NOVA • CAPLI • LEOD • SEDE • VACANTE
In januari 1763 overleed prins-bisschop Johan Theodoor van Beieren. Karel d′Oultremont was kandidaat voor de opvolging. Hij ontving de steun van het kapittel. Als voornaamste kandidaat voor de opvolging gold echter prins Clemens Wenzeslaus van Saksen (1739-1812) - de slechts 24-jarige zoon van koning August III van Polen -, die gesteund werd door Frankrijk en Oostenrijk, twee grote mogendheden die hun invloed op het prinsbisdom Luik wilden uitbreiden. Clemens Wenzeslaus van Saksen was echter geen lid van het kapittel en de kanunniken zagen niets in zijn kandidatuur.
Op 20 april 1763 vond de stemming van het kapittel plaats. Karel d′Oultremont werd met 30 tegen 19 stemmen gekozen tot prins-bisschop van Luik. Prins Clemens was het niet eens met de uitslag en protesteerde bij keizer Frans I Stefan en bij de paus. De paus bekrachtigde echter de verkiezing van d′Oultremont. Karel d′Oultremont was weliswaar gekozen tot prins-bisschop, maar kon dit ambt nog niet volledig vervullen, omdat hij nog geen rooms-katholiek geestelijke was. Hij werd op 22 april 1764 tot diaken en op 24 april 1764 tot priester gewijd. Op 30 mei 1764 werd hij in de Sint-Lambertuskathedraal van Luik tot bisschop gewijd. In de periode dat er formeel geen bisschop was, en de zetel dus vacant was, zijn op kleine schaal gouden dukaten, daalders (patagons) en schellingen geslagen. Deze dienden vooral voor representatieve doeleinden, en waren niet bestemd voor het betalingsverkeer.
Van dit munttype werden slechts 300 stuks aangemunt. Zeer zeldzaam. Mintage of only 300 pieces. Very rare.
Delmonte 487 (R2) ; de Chestret 694 ; Dengis 1184 ; Mignolet 298 ; Vanhoudt G.1358 ; KM.166 ; Davenport 1588 RR Nauwelijks gecirculeerd prachtexemplaar met zeer scherpe details. pr/unc |
|
|  |
 |
 |
ZUIDELIJKE NEDERLANDEN (SOUTHERN NETHERLANS) - PRINSBISDOM LUIK (LIÈGE) - BOUILLON, DUCHY & SEDAN, PRINCIPALITY - HENRI DE LA TOUR D’ AUVERGNE, 1591-1623 - Ecu of 30 sols 1614, Sedan
weight 20,32gr. ; silver Ø 41mm.
obv. Eagle displayed supporting arms with a boar, 1614 left below, XXX right below, within dotted circle. In outer circle the legend; ❁HENRICVS•DE•LA•TOVR•DVX•BVLLIONÆVS rev. Quartered arms of de la Tour, Auvergne, Turenne and Bouillon with Boulogne in the center, within an ornate cartouche, within circle. In outer circle the legend ; SVPREMVS•PRINCEPS•SEDANENSIS
Until the early 1600′s it was the Bishopric of Liege, which had suzerainty over the lands of Bouillon and Sedan. So originally this area belonged to the Southern Netherlands. It was annexed by Louis XIV in 1678 and permanently added to France.
In fact this coin type is a little light to be a true thaler but it is included by tradition.
KM.21 ; Delmonte 398var. (R2) ; Vanhoudt G.1599 ; Davenport 3817 RR Minor scratch on the obverse and flancrack. Very rare. xf/xf- |
|
|  |
 |
 |
ZUIDELIJKE NEDERLANDEN (SOUTHERN NETHERLANS) - PRINSBISDOM LUIK (LIÈGE) - BOUILLON, DUCHY & SEDAN, PRINCIPALITY - HENRI DE LA TOUR D’ AUVERGNE, 1591-1623 - 2 Liards 1614
weight 4,00gr. ; copper Ø 25mm. engraver: Briot
obv. Draped and cuirassed bust of Henri with milled collar to the right, •1614• in exergue, surrounded by the legend; HENR•DE•LA•TOVR•D•BVLLIONÆVS in full: Henricus de la Tour Dux Bulloniensis, translation; Henry of La Tour, duke of Bouillon
rev. Shield surmounted by a ducal crown intersecting the legend at the top, quartered at 1 and 4 of La Tour d′Auvergne, at 2 of Auvergne, at 3 of Turenne, on the whole a small shield of Auvergne, surrounded by the legend; SVP. PRINCEPS. SEDANENSIS in full: Supremus Princeps Sedanensis, translation; Sovereign Prince of Sedan.
cf. KM.12.3 ; cf. Boudeau 1844 f/vf à vf- |
|
|  |
|