
 |
De meeste steden in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden kenden sinds de 16e eeuw een soort college dat zich bezig hield met het bestuur van de stad, de zogenaamde Vroedschap. Zij waren niet belast met het dagelijks bestuur, want die taak lag bij de magistraat of stadsregering. Zo′n stadsregering bestond uit vier of zes burgemeesters en of schepenen. Die burgemeesters en schepenen werden echter door de vroedschap gekozen, meestal voor een periode van vier jaar, en kwamen vaak uit hun eigen gelederen voort. De laatst gekozen burgemeester was verantwoordelijk voor de Schutterij, een soort burgerwacht die de orde moest handhaven. De vroedschap werd bijeengeroepen bij belangrijke financiële kwesties en altijd bij verkiezingen voor de bezetting van belangrijke posten, maar ook landelijk kwesties kwamen soms aan bod. Vaak ging het om het dienen van economische belangen, die tegelijk de belangen waren van de leden van de vroedschap. Men vergaderde meestel een paar maal per maand. In tegenstelling tot de leden der magistraat, werden de vroedschapsleden voor het leven benoemd. Afhankelijk van de grootte van de stad bestond zo′n vroedschap uit zo′n 10 tot 40 mannelijke poorters. Een poorter is de historische benaming voor een burger die zich het recht had verworven om binnen de poorten van een plaats met stadrechten te wonen. Lidmaatschap was in principe een kwestie van uitverkiezing en niet van erfopvolging. Familiebanden waren daarbij zeer belangrijk maar ook welstand en sociale status telden mee. In ieder geval moest men aan twee vereisten voldoen : men moest in het bezit zijn van een huis en lid zijn van de Gereformeerde kerk.
De vroedschapsleden werden niet betaald voor hun diensten. De vergoeding moesten ze maar zien te verwerven uit hun voorkennis en goede contacten. De vroedschapspenningen moesten dienst doen als een soort presentiegeld. Het uitbetalen van presentiegelden in het normale gangbare geld achtte men niet bij de status horen die de vroedschap meende te hebben, althans zo redeneerde men in Leiden. Leiden was de eerste stad die overging tot het slaan van vroedschapspenningen. Daarna volgden ook enkele andere, vooral Hollandse steden: Haarlem (1688), Rotterdam (1689), Gouda (1691), Alkmaar (1692), ′s-Hertogenbosch (1704) en tenslotte ′s-Gravenhage (1718). De vroedschapspenningen werden vervaardigd met de schroefpers. De plaatselijke zilversmeden beschikten daar niet over en de vervaardiging vond derhalve plaats in een van de provinciale munthuizen.
Bij gewone vroedschapsvergaderingen ontving men 1 penning, bij de verkiezing van de Burgemeesters (op Sint Maartensavond = 10 november) ontving men 2 penningen. Als er nog andere punten van discussie waren boven de burgemeestersvekiezing gaf men er nog een penning bij. De penningen hadden ongeveer een waarde van 14 tot 16 stuivers, waarbij het gewicht zich meestal tussen de 8 en 10 gram bewoog. Er bestaan ook vroedschapspenningen op dubbele gewicht (zgn. piedfort), die dan uiteraard de dubbele waarde vertegenwoordigden. Men kon ze vervolgens bij de plaatselijke zilversmeden inwisselen tegen de geldende zilverwaarde. Het is daarom aannemelijk dat veel exemplaren in de smeltkroes zijn beland. Van de oorspronkele productie aantallen zal derhalve vandaag de dag maar een fractie zijn overgebleven. Echt gecirculeerd hebben deze penningen niet, dus in de regel verkeren de stukken in goede kwaliteit. |
|  |
 |
|
|  |
 |
 |
NOORDELIJKE NEDERLANDEN (NETHERLANDS) - REPUBLIEK, 1581-1795 - HOLLAND - STAD ′S GRAVENHAGE - Zilveren vroedschapspenning (council medal) z.j. (1768)
gewicht 20,25gr. ; zilver Ø 37,5mm. medailleur Jan Willem Marmé
vz. Gekroond stadswapen rustend op rococo schild gehouden door twee staande leeuwen, waarbij de linkerleeuw zijn blik naar links wend en de rechter frontaal. Ondergrond met lichte begroeiing met rechtsonder de signatuur I W M •F• kz. Stadsgodin staande frontal met gepluimde helm, geschubd harnas en scheepsroer in linkerhand, houdt hand vast van naast haar staande Justitia met weegschaal in enigszins geheven linkerhand, daarboven CONCORDIA, in de afsnede S • C
De stempelsnijder Jan Willem Marmé (Johannes Wilhelm Marmé) werd in 1730 geboren te Düsseldorf als zoon van de medailleur Johannes Conrad Marmé en Catharina Geertraud Ferber. Op 7 juli 1766 huwde hij met de Utrechtse Hermina van der Monde (gedoopt in de St. Janskerk op 7 april 1740 te Utrecht). In december 1763 volgde hij zijn vader op als stempelsnijder aan de Munt te Utrecht totdat hij in 1795 om politieke redenen werd ontslagen. Hij was namelijk fervent Orangist, hetgeen met de komst van de Fransen en de instelling van de Bataafse Republiek in publieke functies niet getolereerd werd. In 1802 lag dat inmiddels minder gevoelig en kon hij weer in functie treden, tot 1810. Hij overleed te Utrecht op 5 september 1825, zijn vrouw Hermina op 22 januari 1827 te Zuilen.
JMP. 1930, pl. II, 7 ; van Orden I, 13.2 (vz.) en 1.1 (kz). Prachtig patina. Zeldzaam. pr- |
|
|  |
 |
 |
NOORDELIJKE NEDERLANDEN (NETHERLANDS) - REPUBLIEK, 1581-1795 - HOLLAND - STAD HAARLEM - Zilveren vroedschapspenning (council medal) z.j. (1740)
gewicht 13,09gr. ; zilver Ø 33mm.
vz. Stedemaagd zittend naar links, hoofd naar rechts gewend, haar linkerarm leunend op een bijbel met de letter S C, dat is geplaatst is op een zuil, omhangen met een keten met het stadswapen en beneden aan de zuil te tekst VICITVIM VIRTVS, op haar schoot een schaal met vroedschapspenningen, waarvan zij een exemplaar in haar rechterhand houdt, erboven de tekst; COMES CONSILIORUM, in de afsnede HARLEM: kz. Stedemaagd zittend naar links, haar hoofd naar rechts gewend, schild met Medusakop voor zich houdend, steunend op haar rechterknie, in haar linkerhand houdt zij het schip van Damiate en een krans, links de toren van Damiate met speren bij de kantelen, haar rechtervoer geplaatst op een vat met de tekst SPARE, waaruit een vloeistof stroomt, rechts een boekdrukpers, links de tekst; MARTE ET MARTE•, in de afsnede DAM.CAPT.TYP.INV.URB.DEFEN: vgl. Vervolg van Loon 149 ; Syp.201 zeer attractief exemplaar met een prachtig patina pr-/pr |
|
|  |
 |
 |
NOORDELIJKE NEDERLANDEN (NETHERLANDS) - REPUBLIEK, 1581-1795 - HOLLAND - STAD HAARLEM - Zilveren vroedschapspenning (council medal) z.j. (1740)
gewicht 12,07gr. ; zilver Ø 33mm.
vz. Stedemaagd zittend naar links, hoofd naar rechts gewend, haar linkerarm leunend op een bijbel met de letter S C, dat is geplaatst is op een zuil, omhangen met een keten met het stadswapen en beneden aan de zuil te tekst VICITVIM VIRTVS, op haar schoot een schaal met vroedschapspenningen, waarvan zij een exemplaar in haar rechterhand houdt, erboven de tekst; COMES CONSILIORUM, in de afsnede HARLEM: kz. Stedemaagd zittend naar links, haar hoofd naar rechts gewend, schild met Medusakop voor zich houdend, steunend op haar rechterknie, in haar linkerhand houdt zij het schip van Damiate en een krans, links de toren van Damiate met speren bij de kantelen, haar rechtervoer geplaatst op een vat met de tekst SPARE, waaruit een vloeistof stroomt, rechts een boekdrukpers, links de tekst; MARTE ET MARTE•, in de afsnede DAM.CAPT.TYP.INV.URB.DEFEN: vgl. Vervolg van Loon 149 ; Syp.201 zfr |
|
|  |
 |
 |
NOORDELIJKE NEDERLANDEN (NETHERLANDS) - REPUBLIEK, 1581-1795 - HOLLAND - STAD LEIDEN - Zilveren vroedschapspenning (council medal) z.j. (1677-1710), Enkhuizen of Dordrecht
gewicht 7,98gr. ; zilver Ø 32mm.
vz. Klimmende leeuw staande naar links op ondergrond, kop frontaal, met in de rechterklauw een geheven zwaard en in de linker houdt hij het gekroonde stadwapen van Leiden aan een lint voor zich, omringd door de tekst; NUMMUS - SENATORIUS, het geheel binnen een gekartelde cirkel. kz. Latijnse tekst in 7 regels; PRUDENS / PARENTUM CLA / DIBUS ET FIDE / VIRTUTE DISCAT / PERTINACI / POSTERITAS PA / TRIAM TUERI, het geheel binnen een gekartelde cirkel.
Nummus Senatorius betekent ″raadsheerpenning″. Prudens parentum cladibus et fide virtute discat pertinaci posteritas patriam tueri betekent zoveel als; ″Laat het nageslacht, wijs geworden door de rampen en hongersnoden die hun ouders (voorvaderen) hebben moeten doorstaan, daarvan leren het vaderland met trouw en volhardende deugd te verdedigen″. Het is dus een oproep om van geschiedenis te leren en het vaderland dapper te beschermen.
Op 10 november 1670 besloot het stadsbestuur van Leiden als eerste stad in de Republiek tot de aanmaak van vroedschapspenningen. De officiële stempelsnijder van de stad Leiden, Arend Jansz Smeltzing, werd met deze opdracht belast. Die stedelijke stempelsnijders van Leiden hadden reeds ervaring met de vervaardiging van stempels voor de lakenloden en schutterijpenningen van de stad. In de praktijk werden de stempels echter meestel niet door Smeltzing vervaardigd maar werd die vervaardiging weer uitbesteed aan stempelsnijders van elders. De aanmunting van de Leidse vroedschapspenningen heeft o.a. plaatsgevonden in Utrecht, Dordrecht en Enkhuizen.
Arend Jansz Smeltzing werd geboren in 1639, zoon van Jan (Johannes) Arends en Maartje Maertens van Huchtenburg, werd in 1662 tot stempelsnijder der stad Leiden aangesteld, in plaats van Reinier Trap. Hij huwde driemaal, 1. met Adriana Sevenhoven (1662), 2. met Adriana Schrevelius (1676), 3. met Maria Luipaert, weduwe van Daniël Paauw. In 1695 droeg hij zijn functie over aan zijn zoon Johannes Smeltzing. Arend Jansz Smeltzing overleed te Leiden op 4 oktober 1710.
Van de Leidse vroedschapspenningen zijn exemplaren van dit type de meest voorkomende. Het is daarom aannemelijk dat deze niet behoren tot de eerste, relatief kleine producties uit de jaren 1671-1674 (totaal 3.731 stuks), maar tot de wat grotere producties uit de periode 1677-1710. In die periode werden in totaal 12.830 stuks vervaardigd, deels geslagen in Enkhuizen en deels in Dordrecht. Na 1710 zijn er voor Leiden geen vroedschapspenningen meer vervaardigd.
De verantwoording van de uitbetaalde vroedschapspenningen vond trouw plaats, elk jaar op 10 november tot en met 1794. De laatste vroedschapsvergadering, waarbij penningen gebruikt worden, werd gehouden op 14 januari 1795, even voor de komst van de Franse troepen. Een kwitantie van 6 april 1841 geeft uitsluitsel wat er nadien met de niet uitgereikte vroedschapspenningen is gebeurd. Daarin geeft de stedelijke ontvanger van Leiden een verantwoording voor de ontvangst van Hfl 639,45 ′wegens het provenu der verkochte en versmoltene zilvere vroedschapspenningen deze stad in eigendom toebehorende en in 1838 door den gewezen klerk C.Seyn aan de Raadscommissie overgegeven′. Sinds 1813 hadden er malversaties plaats gevonden, waarbij Casper Seyn een van de hoofdschuldigen was. Hij had blijkbaar o.a. de resterende vroedschapspenningen achterovergedrukt. Toen de fraude in 1838 uitkwam, heeft Seyn zijn waardevolle bezittingen ter beschikking gesteld in de hoop om verder vrijuit te gaan. IJdele hoop, want hij werd gevangen genomen en berecht. De lijst van de in beslag genomen bezittingen van Seyn besloeg tientallen pagina′s en bestond o.a. uit schilderijen, sieraden, munten & penningen en tal van andere waardevolle objecten.
van Loon I, pag.196-1 ; Van Zegveld, De Beeldenaar 1978-5 blz.5-8, type 5G attractief patina pr/pr- |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
 |
NOORDELIJKE NEDERLANDEN (NETHERLANDS) - GENERALITEITSLANDEN - BRABANT - STAD ′S-HERTOGENBOSCH - Dubbele vroedschapspenning (council medal) 1776
gewicht 13,35gr. ; zilver Ø 32mm. medailleur: Theodoor van Berckel
vz. Stedenmaagd met muukroon, palmtak en stedelijke wapenschild rijkt de hertog van Brunswijk de hand, daarboven LAETITIA SILVADUCENSIUM, in de afsnede: GUBERNAT. V LUSTR. / DUCIS BRUNSV. / MDCCLXXVI / T.V.B. (vertaald: het vijfentwintigjarig bevelhebberschap des hertogs van Brunswijk) Laetitia Silvaducensium betekent ′De vreugde van ′s-Hertogenbosch′
kz. Vliegende engel met het wapenschild van Braunschweig-Wolfenbüttel boven het stadsaanzicht van de Zuid- of Vughterzijde, daarboven: DECUS ET SECURITAS. , eronder lint met de tekst: GUBERNET DIU. en S.C. De tekst ′Decus et securitas gubernet diu senatus consulto′ betekent zoveel als ′Luister en veiligheid, dat hij lang het bevel zal voeren, bij raadsbesluit′.
Geslagen t.g.v. het 25-Jarig Gouverneurschap van de Hertog van Braunschweig-Wolfenbüttel. Lodewijk Ernst van Brunswijk-Wolfenbüttel-Bevern (Wolfenbüttel, 25 september 1718 – Eisenach, 12 mei 1788) was een militair in Oostenrijkse en Nederlandse dienst. Lodewijk Ernst stond in de Republiek der Verenigde Nederlanden bekend als de hertog van Brunswijk of de hertog van Brunswijk-Wolfenbüttel. Hij was van 4 augustus 1751 tot 14 oktober 1784 militair gouverneur van het voor de Republiek strategisch belangrijke ′s-Hertogenbosch. Er waren regelmatig grote diners bij de hertog; hij werd spottend ′De Dikke Hertog′ genoemd. Waarschijnlijk leed hij aan obesitas.
vervolg van Loon VIII, 507 ; de W. 50 ; Snoeck 78 Attractief patina. zfr+ |
|
|  |
 |
 |
NOORDELIJKE NEDERLANDEN (NETHERLANDS) - GENERALITEITSLANDEN - BRABANT - STAD ′S-HERTOGENBOSCH - Vroedschapspenning (council medal) 1776
gewicht 6,45gr. ; zilver Ø 27mm. medailleur: Theodoor van Berckel
vz. Stedenmaagd met muukroon, palmtak en stedelijke wapenschild rijkt de hertog van Brunswijk de hand, daarboven LAETITIA SILVADUCENSIUM, in de afsnede: GUBERNAT. V LUSTR. / DUCIS BRUNSV. / MDCCLXXVI / T.V.B. (vertaald: het vijfentwintigjarig bevelhebberschap des hertogs van Brunswijk) Laetitia Silvaducensium betekent ′De vreugde van ′s-Hertogenbosch′
kz. Vliegende engel met het wapenschild van Braunschweig-Wolfenbüttel boven het stadsaanzicht van de Zuid- of Vughterzijde, daarboven: DECUS ET SECURITAS. , eronder lint met de tekst: GUBERNET DIU. en S.C. De tekst ′Decus et securitas gubernet diu senatus consulto′ betekent zoveel als ′Luister en veiligheid, dat hij lang het bevel zal voeren, bij raadsbesluit′.
Geslagen t.g.v. het 25-Jarig Gouverneurschap van de Hertog van Braunschweig-Wolfenbüttel. Lodewijk Ernst van Brunswijk-Wolfenbüttel-Bevern (Wolfenbüttel, 25 september 1718 – Eisenach, 12 mei 1788) was een militair in Oostenrijkse en Nederlandse dienst. Lodewijk Ernst stond in de Republiek der Verenigde Nederlanden bekend als de hertog van Brunswijk of de hertog van Brunswijk-Wolfenbüttel. Hij was van 4 augustus 1751 tot 14 oktober 1784 militair gouverneur van het voor de Republiek strategisch belangrijke ′s-Hertogenbosch. Er waren regelmatig grote diners bij de hertog; hij werd spottend ′De Dikke Hertog′ genoemd. Waarschijnlijk leed hij aan obesitas.
vervolg van Loon VIII, 508 ; Snoeck 79 Attractief patina. zfr/pr |
|
|  |
|