
 |
RANDSCHRIFTEN
Bij het aanbrengen van het randschrift GOD ZY MET ONS is men niet consequent te werk gegaan. Derhalve kunnen we twee varianten onderscheiden in de positie van het randschrift:
Positie A : als men het stuk voor zich legt met de voorzijde (portretzijde) naar boven, dan staat het randschrift op zijn kop.
Positie B : als men het stuk voor zich legt met de voorzijde (portretzijde) naar boven, dan staat het randschrift recht, dus in leesbare stand.
EDGE LETTERING
Position A : Edge lettering reads upside-down when the portrait faces up
Position B : Edge lettering reads normally when the portrait faces up |
|  |
 |
 |
NEDERLAND (NETHERLANDS, SOVEREIGN STATE) - PRINS WILLEM FREDERIK ALS SOUVEREIN VORST, 1813-1815 - Gouden dukaat 1814, Utrecht
gewicht 3,50gr.; goud 983/1000 ; Ø 21mm. muntmeester: G.J.L. du Marchie Sarvaas en zijn erven (weduwe du Marchie Sarvaas en haar schoonzoon Van Sorgen) muntteken: stadsschildje Utrecht stempeleigenschappen: zonder punt tussen BELG en AD
vz. Geharnaste en gehelmde Nederlandse ridder staande naar rechts, geschouderd zwaard in zijn rechterhand en pijlenbundel (7 pijlen) in de linkerhand, geflankeerd door het jaartal 18 - 14, omrind door de tekst; CONCORDIA RES - PAR.CRES.TRAI. stadsschildje Utrecht kz. Dubbel gelijnd vierkant met krulversieringen aan de zijden en een rozet op 3, 6, 9 en 12 uur, daarbinnen een tekst in 5 regels; MO.ORD. / PROVIN. / FOEDER. / BELG AD. / LEG. IMP.
WILLEM I ALS SOEVEREIN VORST: Willem Frederik werd op 24 augustus te ′s-Gravenhage geboren als derde zoon van stadhouder Willem V van Oranje-Nassau en prinses Wilhelmina van Pruisen, een nicht van koning Frederik II van Pruisen. Omdat zijn beide oudere broers in 1769 respectievelijk 1771 niet langer dan een dag hadden geleefd, werd hij de erfprins. In 1795 stond hij als erfprins, 23 jaar oud, aan het hoofd van het Staatse leger tegen de Franse invallers. De Franse overmacht was echter te groot en de stadhouderlijke familie vluchtte daarop naar Engeland. Zijn vader legde zich neer bij het feit dat de politieke rol van de Oranjes uitgespeeld was. Zo nog niet zoon Willem, die uiteindelijk in 1803 als compensatie voor het verlies van zijn bezittingen in de Nederlanden van Napoleon de voormalige prinsbisdommen Fulda en abdij van Corvey, de abdij Weingarten en de rijksstad Dortmund kreeg. Die samen gingen het vorstendom Nassau-Oranje-Fulda vormen. Na de dood van zijn vader op 8 april 1806 in Brunswijk, werd Willem ook vorst van Nassau. Na de nederlaag van Napoleon in 1813 in de Slag bij Leipzig stortte het staatkundige systeem in Midden-Duitsland ineen, waarmee de meeste gebieden onder militair bestuur kwamen te staan van Rusland, Oostenrijk of Pruisen. Willem werd door zijn banden met Pruisen direct hersteld in de gebieden van vóór 1803. Willem kreeg het hertogdom Nassau toebedeeld. In het najaar van 1813 werd Willem, die toen in Londen verbleef, per brief uitgenodigd als ″soeverein vorst″ de regering op zich te nemen. De brief was afkomstig van het Driemanschap van 1813, de Haagse notabelen Gijsbert Karel van Hogendorp, Frans Adam van der Duyn van Maasdam en Leopold van Limburg Stirum. Willem aanvaardde hun uitnodiging en het Engelse fregat The Warrior bracht hem naar de kust van Scheveningen, alwaar hij op 30 november 1813 na achttien jaar weer voet op Nederlandse bodem zette. Met een boerenwagen werd hij vervolgens uit zee naar het strand gebracht en in een open rijtuig onder begeleiding van een vreugdevolle menigte naar Den Haag gereden. Op 1 december werd Willem tot soeverein vorst uitgeroepen, wat op 2 december door hem werd aanvaard. Op 16 maart 1815 nam soeverein vorst prins Willem Frederik zelf de titel koning der Nederlanden aan, als koning Willem I. Hij kreeg als compensatie voor de aan Pruisen afgestane Nassause erflanden (Nassau-Dillenburg, Siegen, Hadamar and Dietz) als privébezit ook Luxemburg en werd daardoor als groothertog van Luxemburg lid van de Duitse Bond. In zijn korte periode als soeverein vorst bleef de muntslag beperkt tot gouden dukaten uit 1814. Ook een gedeelte van de productie van gouden dukaten uit 1815 (circa 126.805 stuks) kan nog tot die periode gerekend worden. Daarnaast werden in 1814 te Amsterdam ook nog koperen duiten voor Nederlands-Indië geslagen. Dat gebeurde in de knopenfabriek van de firma de Heus.
De gouden dukaten van het oude provinciale type van Utrecht werden geslagen in de jaren 1814, 1815 en 1816 volgens het Besluit van 19 januari 1814. Ze werden voornamelijk aangemaakt ten behoeve van de Russische troepen, die toen in ons land aanwezig waren (zie Besier op citaat blz. 4). Hoewel er een groot aantal van geslagen is, zijn ze toch nogal schaars, omdat ze mee teruggenomen zijn naar Rusland. De stempels zijn gesneden door D. van der Kellen sr. Na het overlijden van muntmeester G.J.L. du Marchie Sarvaas op 3 mei 1814 waren diens weduwe en schoonzoon Van Sorgen op voorlopige basis aangesteld tot provisioneel geautoriseerden voor de muntslag. Aan hun taken kwam medio 1815 een einde met de aanstelling van muntmeester R.D.C. Suermondt.
Schulman 200 ; LSch.215 ; KM.45 ; Friedberg 331 Nauwelijks gecirculeerd prachtexemplaar. Zeer mooi. unc- |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
 |
NEDERLAND (NETHERLANDS, KINGDOM) - WILLEM I, 1815-1840 - Zilveren dukaat 1816, Utrecht
gewicht 28,03gr. ; zilver 868/1000 ; Ø 40mm. met kabelrand medailleslag: stempelstand ↑↑ Oplage slechts 174.092 stuks. Schaars.
De gouden en zilveren dukaten werden geslagen als zgn. negotiepenningen. Ze werden dus speciaal geslagen voor de handel, in dit geval de Oostzeehandel, en de koers van deze munten fluctueerden mee met de stijgende en dalende goud- en zilverprijs. Dit in tegenstelling tot de nominale munten, die werden uitgegeven op een vaste waarde. De opdracht voor aanmunting van negotiepenningen, de gouden en zilveren dukaat, kwam niet van staatswege, maar vond plaats in opdracht van handelaars, veelal uit Amsterdam. De Muntwet uit 1816 voorzag ook in de aanmunting van ″negotie″ zilveren rijders. Omdat aanmunting van negotiepenningen vooral gericht was op de Oostzeehandel, is het tot aanmunting van ″negotie″ zilveren rijders nooit gekomen. Dat munttype werd immers altijd geslagen voor de handel op de Verre Oosten, en speelde dus geen rol in de Oostzeehandel, en met het ter ziel gaan van de V.O.C. in 1799 bleek voor de handel op het Verre Oosten geen behoefte meer aan zilveren rijders. De aanmunting van zilveren dukaten met het jaartal 1816 vond plaats in 1817. Daarbij is het ook gebleven. De zilveren dukaat uit 1816 is daarmee de laatste Nederlandse zilveren negotiepenning.
Gebruikelijke ietwat zwakke slag in het centrum, maar feitelijk een nauwelijks gecirculeerd exemplaar met veel stempelglans en zeer scherpe details. Zeer zeldzaam in deze uitzonderlijk hoge staat van bewaring.
The usual, somewhat weak strike in the center, but in reality a hardly circulated specimen with abundant lustre and very sharp details. Very rare in this exceptionally high state of preservation.
Schulman 235 ; LSch.251 ; KM.46 S unc- |
|
|  |
 |
 |
NEDERLAND (NETHERLANDS, KINGDOM) - WILLEM I, 1815-1840 - Zilveren dukaat 1816, Utrecht
gewicht 27,48gr. ; zilver 868/1000 ; Ø 39mm. met kabelrand
Oplage slechts 174.092 stuks. Niet de gebruikelijke medailleslag, doch stempelstand: ↑ ↗ Als zodanig zeer zeldzaam.
De gouden en zilveren dukaten werden geslagen als zgn. negotiepenningen. Ze werden dus speciaal geslagen voor de handel, in dit geval de Oostzeehandel, en de koers van deze munten fluctueerden mee met de stijgende en dalende goud- en zilverprijs. Dit in tegenstelling tot de nominale munten, die werden uitgegeven op een vaste waarde. De opdracht voor aanmunting van negotiepenningen, de gouden en zilveren dukaat, kwam niet van staatswege, maar vond plaats in opdracht van handelaars, veelal uit Amsterdam. De Muntwet uit 1816 voorzag ook in de aanmunting van ″negotie″ zilveren rijders. Omdat aanmunting van negotiepenningen vooral gericht was op de Oostzeehandel, is het tot aanmunting van ″negotie″zilveren rijders nooit gekomen. Dat munttype werd immers altijd geslagen voor de handel op de Verre Oosten, en speelde dus geen rol in de Oostzeehandel, en met het ter ziel gaan van de V.O.C. in 1799 bleek voor de handel op het Verre Oosten geen behoefte meer aan zilveren rijders. De aanmunting van zilveren dukaten met het jaartal 1816 vond plaats in 1817. Daarbij is het ook gebleven. De zilveren dukaat uit 1816 is daarmee de laatste Nederlandse zilveren negotiepenning.
Schulman 235 ; LSch.251note ; KM.46 R Gebruikelijke ietwat zwakke slag in het centrum en minieme gietgal, doch voor type een zeer attractief exemplaar met goede details. zfr/pr |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
 |
NEDERLAND (NETHERLANDS, KINGDOM) - WILLEM I, 1815-1840 - 1 Gulden 1824, Utrecht
gewicht 10,77gr. ; zilver 893/1000 ; Ø 30mm. randschrift: positie A
Variant met streepje tussen kroon en wapen. De reden voor het aanbrengen van dit streepje, dat we ook zien bij de drieguldens uit 1824, is tot op heden onverklaard gebleven. De productie van gulden met het jaartal 1824 is omvangrijk geweest, namelijk 1.096.250 stuks. In het jaar 1824 zelf werden maar 91.500 stuks geslagen. Als gevolg van opgelopen zilverprijs werd aanmunting van grotere zilverstukken later dat jaar gestaakt, hetgeen voor de langere duur bleek te zijn. In de jaren 1825-1827 werden aangaande het zilvergeld, alleen 25, 10 en 5 centstukken geslagen. Pas in 1828 zien we een hervatting van aanmunting van guldens. Ook die productie bleef bescheiden, namelijk 193.200 stuks met het jaartal 1824 en 61.600 met het jaartal 1828. In 1829 werd helemaal geen zilvergeld aangemunt. Pas vanaf november 1830 zien we een enorme toename in de productie van het groter zilvergeld, en de guldens met het jaartal 1824 zijn dan ook voor het overgrote deel (811.550 stuks) in de periode december 1830 - mei 1831 geslagen. Schulman 264a ; LSch.272a ; KM.55 Vrijwel ongecirculeerd prachtexemplaar. Zeer mooi. unc-/unc |
|
|  |
 |
 |
NEDERLAND (NETHERLANDS, KINGDOM) - WILLEM I, 1815-1840 - 1 Gulden 1824, Utrecht
gewicht 10,75gr. ; zilver 893/1000 ; Ø 30mm. randschrift: positie A
Variant met streepje tussen kroon en wapen. De reden voor het aanbrengen van dit streepje, dat we ook zien bij de drieguldens uit 1824, is tot op heden onverklaard gebleven. De productie van gulden met het jaartal 1824 is omvangrijk geweest, namelijk 1.096.250 stuks. In het jaar 1824 zelf werden maar 91.500 stuks geslagen. Als gevolg van opgelopen zilverprijs werd aanmunting van grotere zilverstukken later dat jaar gestaakt, hetgeen voor de langere duur bleek te zijn. In de jaren 1825-1827 werden aangaande het zilvergeld, alleen 25, 10 en 5 centstukken geslagen. Pas in 1828 zien we een hervatting van aanmunting van guldens. Ook die productie bleef bescheiden, namelijk 193.200 stuks met het jaartal 1824 en 61.600 met het jaartal 1828. In 1829 werd helemaal geen zilvergeld aangemunt. Pas vanaf november 1830 zien we een enorme toename in de productie van het groter zilvergeld, en de guldens met het jaartal 1824 zijn dan ook voor het overgrote deel (811.550 stuks) in de periode december 1830 - mei 1831 geslagen.
Schulman 264a ; LSch.272a ; KM.55 een bijzonder attractief exemplaar van scherpe slag unc- |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
 |
NEDERLAND (NETHERLANDS, KINGDOM) - WILLEM I, 1815-1840 - 1 Gulden 1840, Utrecht
gewicht 9,70gr. ; zilver 945/1000 ; Ø 28mm. randschrift: positie B
Naar aanleiding van de nieuwe Muntwet van 22 maart 1839, werden gehalte en gewicht van de gulden gewijzigd. Het gehalte werd verhoogd van 839/1000 naar 945/1000, terwijl het gewicht werd verlaagd van 10,77 gram naar 10,00 gram. Vanaf dat moment was 100.000 gulden dus een ton (1000 kg zilver). Een aanduiding die we nog altijd gebruiken voor een bedrag van 100.000 euro, ook al is de koppeling met de gulden van 10 gram er al lang niet meer.
Van de gulden 1840 werden slechts 99.254 stuks aangemunt. Schaars.
Schulman 278 ; LSch.281 ; KM.65 S fr+ |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
|
|  |
 |
 |
NEDERLAND (NETHERLANDS, KINGDOM) - WILLEM I, 1815-1840 - 1 Pfenning of “Bleyensteinse duit” 1819, Frankfurt am Main
gewicht 1,35gr. ; koper Ø 19mm.
Begin 19e eeuw werden in Frankfurt op particulier initiatief diverse koperen munten geslagen. Deze hadden vaak fictieve namen en wapens. We kennen ze als zogenaamde Judenpfenningen. In Frankfurt woonde een grote Joodse handelsgemeenschap, die deze koperen munten in grote aantallen en typen uitgaf voor handelsdoeleinden. Ze circuleerden voor de waarde van 1 pfennig. Rond 1820 circluleerden deze pfenningen ook in Nederland, waar de als duit werden uitgegeven door o.a. de Utrechtse kruidenier Bleijenstein. Uiteraard bracht dit hem winst. Toen hij echter later weigerde ze als betaling te accepteren, werd in 1821 zijn huis door de woedende Utrechtse menigte geplunderd. Deze duiten zijn ook te ′s-Hertogenbosch uitgegeven door Franciscus van Lanschot, waardoor deze pfenningen ook wel ook wel ″Lanschotjes″ werden genoemd. De penningen verdwenen al snel uit circulatie toen de nieuwe ½ en 1 centstukken van Willem I in ruime getale in omloop kwamen.
At the beginning of the 19th century, various copper coins were minted in Frankfurt on private initiative. These often had fictitious names and coats of arms. We know them as so-called Judenpfenningen. A large Jewish trading community lived in Frankfurt, which issued these copper coins in large numbers and types for trading purposes. They circulated for the value of 1 pfennig. Around 1820, these pfenningen also circulated in the Netherlands, where they were issued as duit by, among others, the Utrecht grocer Bleijenstein. Of course, this brought him profit. However, when he later refused to accept them as payment, his house was plundered by the angry Utrecht mob in 1821. These pfenningen were also issued in ′s-Hertogenbosch by entrepreneur Franciscus van Lanschot, which is why these pfenningen were also called ″Lanschotjes″. The pfenningen quickly disappeared from circulation when the new ½ and 1 cent coins of Willem I came into circulation in large numbers.
Schulman 382a ; Joseph & Fellner 1997a ; Jaeger 2 FH.7 ; KM.Tn.5 voor dit munttype een bijzonder mooi exemplaar unc- |
|
|  |
 |
 |
NEDERLAND (NETHERLANDS, KINGDOM) - WILLEM I, 1815-1840 - 1 Pfenning of “Bleyensteinse duit” 1819, Frankfurt am Main
gewicht 0,78gr. ; koper Ø 19mm.
Begin 19e eeuw werden in Frankfurt op particulier initiatief diverse koperen munten geslagen. Deze hadden vaak fictieve namen en wapens. We kennen ze als zogenaamde Judenpfenningen. In Frankfurt woonde een grote Joodse handelsgemeenschap, die deze koperen munten in grote aantallen en typen uitgaf voor handelsdoeleinden. Ze circuleerden voor de waarde van 1 pfennig. Rond 1820 circluleerden deze pfenningen ook in Nederland, waar de als duit werden uitgegeven door o.a. de Utrechtse kruidenier Bleijenstein. Uiteraard bracht dit hem winst. Toen hij echter later weigerde ze als betaling te accepteren, werd in 1821 zijn huis door de woedende Utrechtse menigte geplunderd. Deze duiten zijn ook te ′s-Hertogenbosch uitgegeven door Franciscus van Lanschot, waardoor deze pfenningen ook wel ook wel ″Lanschotjes″ werden genoemd. De penningen verdwenen al snel uit circulatie toen de nieuwe ½ en 1 centstukken van Willem I in ruime getale in omloop kwamen.
At the beginning of the 19th century, various copper coins were minted in Frankfurt on private initiative. These often had fictitious names and coats of arms. We know them as so-called Judenpfenningen. A large Jewish trading community lived in Frankfurt, which issued these copper coins in large numbers and types for trading purposes. They circulated for the value of 1 pfennig. Around 1820, these pfenningen also circulated in the Netherlands, where they were issued as duit by, among others, the Utrecht grocer Bleijenstein. Of course, this brought him profit. However, when he later refused to accept them as payment, his house was plundered by the angry Utrecht mob in 1821. These pfenningen were also issued in ′s-Hertogenbosch by entrepreneur Franciscus van Lanschot, which is why these pfenningen were also called ″Lanschotjes″. The pfenningen quickly disappeared from circulation when the new ½ and 1 cent coins of Willem I came into circulation in large numbers.
Schulman 382a ; Joseph & Fellner 1997a ; Jaeger 2 FH.7 ; KM.Tn.5 zfr+ à zfr/pr |
|
|  |
|